|
Uitspraak
01/4775
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij aanvraag van 16 februari 2000 verzocht haar op grond
van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de op die wet gebaseerde
Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Amsterdam
(Verordening) een woonvoorziening toe te kennen in de vorm van een
traplift, het toegankelijk maken van de woning, een verhoogde toiletpot
en bevestiging van diverse beugels.
Bij primair besluit van 18 april 2000 heeft appellant laatstgenoemde
voorzieningen toegekend, maar de traplift geweigerd.
Bij het bestreden besluit van 2 oktober 2000 is het bezwaar van gedaagde
tegen de weigering van de traplift ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 12 juli 2001 het tegen
dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd
en appellant gelast een nieuw besluit te nemen. Voorts is appellant
veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Appellant is op bij het aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van
die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 maart 2003. Voor
appellant is daar verschenen mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, werkzaam bij de
gemeente Amsterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr.
M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam.
II. MOTIVERING
Gedaagde, geboren in 1939, heeft in haar vroege jeugd polio gehad. Zij
was sedert 1979 woonachtig in [woonplaats] aan de [adres] Sinds 1987
lijdt zij aan een postpoliosyndroom. Voorts is artrose van de heup
geconstateerd. Als gevolg daarvan kan zij zich maximaal 100 meter
verplaatsen met behulp van twee elleboogstokken en worden staan en
zitten beperkt door pijnklachten in de linkerheup. Haar woning aan de
[adres] achtte zij niet meer geschikt omdat deze te koud, te vochtig en
te donker is, waardoor haar klachten toenamen en zij bovendien
depressief dreigde te worden. In verband hiermee heeft gedaagde na lang
zoeken een eengezinswoning gekocht aan de [adres II] in [woonplaats],
waar zij tevens haar beroep als pianolerares kan uitoefenen.
Op 21 februari 2000 heeft gedaagde een aanvraagformulier voor
woningaanpassing op grond van de Wvg ingediend, met betrekking tot een
traplift, aanpassing van de toegankelijkheid van de woning, verhoging
van de toiletpot, en bevestiging van diverse beugels.
De Stichting Tot en Met heeft appellant, in zijn advies van 6 april
2000, geadviseerd de gevraagde voorzieningen af te wijzen, aangezien
gedaagde in de woning aan de [adres] geen belemmeringen zou hebben
ondervonden.
In afwijking van het advies van de Stichting Tot en Met heeft appellant
een deel van de gevraagde aanpassingen bij primair besluit van 18 april
2000 wel toegekend, te weten het toegankelijk maken van de woning, de
verhoogde toiletpot, alsmede de bevestiging van diverse beugels. De
gevraagde traplift is echter afgewezen, aangezien bij het betrekken van
de nieuwe woonruimte aan de [adres II] voorzienbaar was dat een traplift
noodzakelijk zou zijn.
Gedaagde heeft hiertegen in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat de
woning aan de [adres] zowel binnenshuis als in de directe omgeving niet
meer ergonomisch adequaat was. Verder is zijdens gedaagde naar voren
gebracht dat de advisering aan en de besluitvorming door appellant
willekeurig en onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Gedaagde heeft met
name naar voren gebracht dat appellant niet deugdelijk gemotiveerd heeft
waarom wel kleine aanpassingen zijn toegekend, maar niet de traplift.
De rechtbank heeft ter zake hiervan in de aangevallen uitspraak -
gedaagde als eiseres aanduidende en appellant als verweerder - het
volgende overwogen:
"Verweerder heeft een aantal voorzieningen, zoals de egalisering
van de opgang, verhoging van de toiletpot en bevestiging van diverse
beugels, wel vergoed.
Vergoeding van de traplift is als enige voorziening geweigerd. Ter
zitting heeft de gemachtigde van verweerder hieromtrent verklaard dat de
wel toegekende voorzieningen in elke woning hadden moeten worden
aangebracht. Ten aanzien van de traplift ligt dat anders, aangezien
eiseres, naar de mening van verweerder, had kunnen voorzien dat de
aanwezigheid van een trap in de nieuwe woning een probleem zou kunnen
gaan opleveren.
De rechtbank kan verweerder niet volgen in deze stelling. De rechtbank
ziet niet in dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen een
voorziening als een traplift en een voorziening als het egaliseren van
de opgang van een woning. Ook ter zitting heeft de gemachtigde van
verweerder niet duidelijk weten te maken waarom de ene voorziening wel
is vergoed en de andere niet. Alle door eiseres gevraagde voorzieningen
vallen onder de vigeur van artikel 2.1, eerste lid, onder b van de
Verordening in samenhang met artikel 2.6 van de Verordening.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op dit
onderdeel in verband met het ontbreken van een deugdelijke motivering
zoals bedoeld in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
dient te worden vernietigd."
Appellant kan zich hiermee niet verenigen. In hoger beroep is - onder
meer - aangevoerd dat gedaagde ten tijde van belang medisch gezien
aangewezen was op een gelijkvloerse woning, welk type woning in
voldoende mate beschikbaar is gekomen in de periode dat gedaagde naar
een woning heeft gezocht. Gedaagde had derhalve geen inadequate woning
behoeven te kopen, te weten een woning waarvan de noodzaak van een
traplift voorzienbaar was. Appellant is van oordeel dat gedaagde gelet
hierop, gezien het bepaalde in de Verordening, geen recht had op
woonvoorzieningen, maar dat hem desalniettemin vrijheid toekomt om op
beleidsmatige gronden woningaanpassingen toe te kennen wanneer deze naar
aard, inhoud en omvang als kleine aanpassingen kunnen worden
gekwalificeerd, zonder dat daaraan de consequentie verbonden moet zijn
dat ook de grotere aangevraagde voorzieningen moeten worden toegekend.
De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit in rechte stand houdt.
Hij beantwoordt die vraag evenals de rechtbank in de aangevallen
uitspraak, met de slotsom waarvan hij zich kan verenigen, ontkennend.
Het volgende wordt overwogen.
In artikel 2.1 eerste lid, sub b, jo artikel 2.3 sub b, van de
Verordening was ten tijde hier in geding bepaald dat een financiλle
tegemoetkoming voor een woonvoorziening niet wordt verleend, indien ten
tijde van het betrekken van de woonruimte voorzienbaar was dat in deze
woonruimte ergonomische belemmeringen zouden worden ondervonden.
Voorts stelt de Raad vast dat appellant ten tijde van belang een
gedragslijn volgde waarin aanvragen voor zogenoemde kleinere
woonvoorzieningen - ook indien de noodzaak voor het treffen ervan in een
geval als het onderhavige voorzienbaar was - in principe werden
toegekend.
In het onderhavige geval heeft dit er toe geleid dat de aanvraag voor
wat betreft het toegankelijk maken van de woning, het aanbrengen van de
verhoogde toiletpot en de bevestiging van diverse beugels is
gehonoreerd, maar dat de eveneens aangevraagde traplift is geweigerd.
De Raad is, gezien de gedingstukken en het verhandelde ter
terechtzitting, tot de conclusie gekomen dat appellant in het
onderhavige geval onvoldoende duidelijk heeft kunnen maken waarop het
aldus gemaakte onderscheid bij de toekenning van woonvoorzieningen
berust. De enkele omstandigheid dat een traplift duurder is dan de wel
toegekende voorzieningen, waarvan de kosten in totaal circa f 10.000,--
hebben bedragen, acht de Raad, gegeven het ontbreken van een grondslag
voor het aldus gemaakte onderscheid in de van toepassing zijnde algemeen
verbindende voorschriften onvoldoende grond om dit onderscheid te kunnen
rechtvaardigen. De Raad wijst er voorts op dat niet is gebleken dat ten
aanzien van gedaagde met betrekking tot de wel toegekende voorzieningen
moet worden gesproken van een bijzonder geval waarin de
hardheidsclausule van de Verordening van toepassing is, maar met
betrekking tot de geweigerde voorziening niet.
Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met
de in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde
regel dat het besluit op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke
motivering. Dit besluit is mitsdien terecht door de rechtbank vernietigd
zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht op grond van artikel 8:75 van de Awb termen aanwezig
appellant in verband met het hoger beroep te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde, welke worden begroot op 644,37 aan kosten
van rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde ten bedrage van
644,37;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van 327,--;
Wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die de proceskosten
en het griffierecht dient te betalen.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15
april 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|