|
Uitspraak
01/4073
WVG en 03/598 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft op 22 maart 1999, aangevuld bij brief van 1 april 1999,
aan appellant verzocht haar op grond van het bepaalde bij of krachtens
de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) in aanmerking te brengen voor
woonvoorzieningen in de vorm van woningsanering en klimaatbeheersing.
Bij primair besluit van 14 oktober 1999 heeft appellant de gevraagde
woonvoorzieningen afgewezen.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit
van 21 juni 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 18 juni 2001 het tegen het
bestreden besluit ingestelde beroep wegens strijd met het bepaalde in
artikel 3:2 in verbinding met artikel 3:9 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts
is appellant veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het
griffierecht aan gedaagde. Naar het oordeel van de rechtbank bood het
advies van de adviseur van appellant, ZVN Advies NV (hierna: ZVN)
onvoldoende grondslag voor het bestreden besluit.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het
beroepschrift aangevoerde gronden.
Namens gedaagde heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, een
verweerschrift ingediend.
Vervolgens hebben beide partijen brieven ingezonden met betrekking tot
het - desverzocht - instellen van een nieuw medisch onderzoek door
appellant en het daartoe door gedaagde verlenen van toestemming voor het
inwinnen van informatie bij de behandelend specialisten. Gedaagde heeft
daarbij onder meer informatie van haar longarts N.J.J. Schlösser en van
de slaap-waakspecialist en sociaal geneeskundige K.E. Schreuder alsmede
een briefwisseling met betrekking tot de staat van haar woning
overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 20 november 2002,
waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door H. Evink, werkzaam
bij de gemeente Lelystad, en waar gedaagde in persoon is verschenen.
Mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is het onderzoek
geschorst teneinde appellant in de gelegenheid te stellen gedaagde nader
medisch te onderzoeken. Partijen hebben vervolgens nadere stukken aan de
Raad doen toekomen. Van de zijde van appellant is een medisch advies van
8 januari 2003 van Argonaut en een ambtelijk advies in geding gebracht.
Appellant heeft naar aanleiding van het medisch advies van Argonaut zijn
besluit op bezwaar heroverwogen en op 28 januari 2003 besloten de
bezwaren gericht tegen het niet verstrekken van een voorziening in de
vorm van woningsanering ongegrond te verklaren, de bezwaren gericht
tegen het niet verstrekken van een verwarmingselement in de gang gegrond
te verklaren en de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren.
Het onderzoek is hervat ter zitting van 5 februari 2003. Voor appellant
is daar wederom verschenen H. Evink. Gedaagde is in persoon verschenen,
bijgestaan door haar advocaat mr. Gloudi.
II. MOTIVERING
Appellant heeft zijn besluit van 28 januari 2003 in de plaats gesteld
van het bestreden besluit van 21 juni 2000. Op grond van de artikelen
6:18, 6;19 en 6:24 van de Awb wordt het hoger beroep geacht mede
betrekking te hebben op het nieuwe besluit van 28 januari 2003,
behoudens voor zover daarin het bezwaar tegen de weigering een radiator
voor de gang te verstrekken gegrond is verklaard. Nu niet gebleken is
van enig processueel belang bij een beoordeling van het besluit van 21
juni 2000 dient het hoger beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk te
worden verklaard.
Mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting van 5 februari 2003 is
thans nog slechts in geschil of de weigering van appellant om de kosten
van woningsanering in de vorm van een gladde (laminaat)vloer te
vergoeden in rechte stand kan houden.
De Raad gaat uit van de volgende feiten.
Gedaagde lijdt aan intrinsic astma bronchiale, bronchiale
hyperreactiviteit en nachtelijke ademhalingsproblematiek. Zij is niet
allergisch voor huisstofmijt. Gedaagde is voor haar longaandoening onder
behandeling bij longarts N.J.J. Schlösser en in verband met nachtelijke
ademhalingsproblematiek bij de slaap-waakspecialist en sociaal
geneeskundige K.E. Schreuder.
De Raad overweegt het volgende.
Blijkens de rapportage van de ZVN-arts T.K. Gouw, die beschikte over
recente informatie van de betrokken behandelend longarts, is gedaagde op
grond van haar longaandoening en hyperreactiviteit niet aangewezen op de
aangevraagde sanering van haar woonruimte. Ook de medisch adviseur van
Argonaut, B. de Rijk, die naast alle in het dossier reeds aanwezige
informatie van de slaap-waakspecialist en de longarts van gedaagde,
nogmaals inlichtingen bij deze specialisten heeft gevraagd en verkregen,
ziet noch op grond van intrinsic astma zonder allergie voor huisstofmijt
noch op grond van bronchiale hyperreactiviteit een reden voor
woningsanering.
De Raad ziet, alle gegevens in onderling verband beschouwd, onvoldoende
reden om het standpunt van de ZVN-arts, dat gedeeld wordt door de
Argonaut-arts, voor onjuist te houden.
Dit betekent dat de weigering om de gevraagde harde vloer in het kader
van woningsanering te verstrekken in rechte stand houdt.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
Van andere kosten is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep, voorzover betrekking hebbend op het besluit
van 21 juni 2000, niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep, voorzover dit geacht moet worden betrekking te
hebben op de in het besluit van 28 januari 2003 besloten liggende
handhaving van de weigering een woonvoorziening in de vorm van een
gladde (laminaat)vloer te verstrekken, ongegrond;
Veroordeelt de gemeente Lelystad in de proceskosten van gedaagde in
hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen aan de griffier
van de Raad;
Verstaat dat van de gemeente Lelystad een recht van € 327,-- wordt
geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 maart
2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|