|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/1151 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 31 oktober 2000 heeft gedaagde besloten om de
aan appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) toegekende aanvullende tegemoetkoming
in de vervoerskosten van f 35,12 per maand, welke zij ontving om te reizen buiten het gebied
waarin de deeltaxi rijdt, per 1 januari 2001 te beëindigen. Bij het
bestreden besluit van 9 april 2001 is het bezwaar van appellante tegen
het primaire besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Breda heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 9 januari 2002 ongegrond verklaard.
Appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van
die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 6 mei
2003. Partijen zijn daar, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een weergave van de relevante feiten en
omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de
zijne.
Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het gebied waarin
gebruik gemaakt kan worden van de deeltaxi aanzienlijk is uitgebreid,
waardoor het gebied thans een groot deel van Noord-Brabant, een deel van
Zeeland en een deel van Zuid-Holland bestrijkt. Appellante kan binnen
dit gebied met de deeltaxi reizen tegen een tarief dat vergelijkbaar is
met tarief van het openbaar vervoer, zodat de hiertoe verstrekte
aanvullende financiële vergoeding door gedaagde per 1 januari 2001 is
beëindigd.
In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of de beëindiging
van de financiële tegemoetkoming in rechte in stand kan blijven.
De rechtbank heeft hierover in de aangevallen uitspraak onder meer
overwogen dat appellante, gelet op het feit dat een dochter, een broer
en een zwager binnen de regio van de deeltaxi wonen, in staat wordt
geacht om binnen haar directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate
deel te nemen aan het leven van alledag. Voorts onderschrijft de
rechtbank het standpunt van gedaagde, inhoudende dat niet gebleken is
van een bovenregionale vervoersbehoefte waarvoor op grond van het
bepaalde bij en krachtens de Wvg door gedaagde een financiële
tegemoetkoming verstrekt zou moeten worden.
Namens appellante is in hoger beroep gepersisteerd bij hetgeen in eerste
aanleg is gesteld en is voorts onder meer aangevoerd dat gedaagde ten
onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast. Dat het gebied van
de deeltaxi is uitgebreid onder gelijktijdige verlaging en uiteindelijke
intrekking van de financiële tegemoetkoming is voor betrokkene nadelig.
De vervoersbehoefte van appellante bestaat uit 4 tot 6 keer per jaar
naar Delft en Den Haag reizen, zo'n 2 à 3 keer per week met de deeltaxi
reizen binnen [woonplaats], het reizen naar een bestemming in Tilburg,
doch binnen Tilburg kan zij geen gebruik maken van de - plaatselijke -
deeltaxi. Tevens is benadrukt dat zorg op maat moet worden aangeboden
hetgeen betekent dat de te verstrekken voorzieningen zijn gericht op het
individu en op diens specifieke behoefte en omstandigheden.
De Raad overweegt als volgt.
Vooropgesteld moet worden dat een gemeentebestuur als gedaagde blijkens
artikel 3 van de Wvg in ieder geval gehouden is om verantwoorde
voorzieningen aan te bieden, waaruit volgens vaste jurisprudentie van de
Raad voortvloeit dat - voor zover het om vervoer gaat - zodanige
voorzieningen moeten worden geboden dat de ter plaatse wonende
gehandicapten tenminste in staat worden gesteld om in hun directe woon-
en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en
deel te nemen aan het leven van alledag. Voor de vraag welke
voorzieningen in dat kader moeten worden geboden, zijn de omstandigheden
van het geval mede van belang.
Onder voornoemde zorgplicht valt in beginsel niet het kunnen onderhouden
van ver verwijderde sociale contacten. Dat is slechts dan anders indien
aangetoond dan wel anderszins duidelijk is dat er dusdanige essentiële,
slechts door persoonlijk bezoek in stand te houden, bovenregionale
contacten zijn dat beknotting daarvan gelet op de bestaande
(mogelijkheden tot) sociale contacten en activiteiten in de directe
omgeving, zal leiden tot sociaal isolement.
Binnen die grenzen staat het een gemeentebestuur vrij te kiezen voor de
invoering van enige vorm van prioriteit genietend collectief vervoer,
zoals in de Wvg-verordening van de gemeente Breda is neergelegd.
De Raad is - alles in aanmerking genomen - tot het oordeel gekomen dat de
rechtbank het bestreden besluit op goede gronden in stand heeft gelaten.
De Raad is niet gebleken dat appellante niet in staat zou zijn van de
deeltaxi gebruik te maken, hetgeen ook namens appellante is aangegeven
in het aanvullend beroepschrift waarin is vermeld dat appellante zo'n 2
à 3 keer per week gebruik maakt van de deeltaxi. Met de toegekende
vervoersvoorziening, bestaande uit het recht op deelname aan de deeltaxi
en een elektrische rolstoel voor verplaatsing in de directe omgeving,
acht de Raad appellante in staat om in aanvaardbare mate deel te nemen
aan het leven van alledag in haar directe woon- en leefomgeving. Uit de
gedingstukken is geenszins gebleken dat appellante door gebruik te maken
van de deeltaxi in een sociaal isolement als bedoeld in evenvermelde
jurisprudentie zal geraken.
Voorts overweegt de Raad dat in het onderhavige geval het vervoer binnen
de gemeente Tilburg niet kan worden gerekend tot de directe woon- en
leefomgeving van appellante, zodat gedaagde op goede gronden de
vervoervoorziening heeft beperkt tot het vervoer naar en van de gemeente
Tilburg. Tot slot volgt de Raad gedaagde in zijn oordeel dat uit de
gedingstukken niet is gebleken van omstandigheden die nopen tot
toepassing van de hardheidsclausule. Noch is de Raad gebleken van
onzorgvuldigheden in de besluitvorming op grond waarvan het bestreden
besluit niet in stand zou kunnen blijven.
Uit het voorafgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand
houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad
acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 mei
2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|