|
Uitspraak
voorzieningenrechter 02/5965
WVG-VV en 02/5964 WVG
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), alsmede inzake het verzoek om toepassing van
artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet
in het geding tussen:
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond,
gedaagde.
I. INLEIDING
Bij besluit van 21 december 2001 heeft gedaagde verzoekster bij wijze
van voorziening in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten
(Wvg) en de van toepassing zijnde Verordening voorzieningen
gehandicapten van de gemeente Roermond (de Verordening) een
verhuiskostenvergoeding toegekend ten bedrage van f 3.000,--. Daarbij
heeft gedaagde tevens aangegeven dat aanpassing van de huidige woning
aan de orde komt indien verhuizing naar een geschikte woning binnen zes
maanden niet te realiseren is. In dat geval is volgens gedaagde de
goedkoopst adequate oplossing een woningaanpassing op de begane grond,
door middel van herindeling van de bestaande ruimten. In de opvatting
van gedaagde wordt het kantoor (beneden) als slaapkamer ingericht, de
bijkeuken wordt dan een natte cel, en het kantoor wordt dan verplaatst
naar de vrijgekomen slaapkamer (boven). Voorts is door gedaagde
overwogen dat het bedrag van de met die aanpassing gemoeide kosten -
welk bedrag door gedaagde blijkens zijn brief van 17 februari 2003
naderhand is begroot op ruim € 43.400,-- - door verzoeker desgewenst
mag worden aangewend voor het - voor eigen rekening - realiseren van de
door haar geprefereerde duurdere woningaanpassing, welke onder meer
voorziet in de installatie van een woonhuislift en waarvan de kosten
vanwege verzoekster (aanvankelijk) zijn begroot op f 156.802,--.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij het thans
bestreden besluit van 7 maart 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 19 november 2002 het tegen
het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover
betrekking hebbend op de woningaanpassing, het bestreden besluit in
zoverre vernietigd, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in dat verband onder meer overwogen dat de door
gedaagde voorgestelde woningaanpassing als adequaat kan worden
aangemerkt, maar dat nog niet duidelijk is of hier ook sprake is van de
goedkoopste oplossing, omdat niet gebleken is dat gedaagde een
kostenberekening heeft gemaakt van de woningaanpassing op de begane
grond.
Namens verzoekster is mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift zijn
de gronden uiteengezet waarop het hoger beroep berust. Verzoekster heeft
met name bedenkingen tegen een verplaatsing van het kantoor naar de
bovenverdieping. Bij brief van 29 november 2002
is van de zijde van verzoekster tevens verzocht om toepassing van het
bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en partijen hebben
(desgevraagd) nog stukken ingezonden.
Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad van 27 februari 2003,
waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar
echtgenoot [naam echtgenoot], door haar zwa-ger [naam zwager], en door
haar raadsman mr. P.J.G. Goumans. Gedaagde heeft zich doen
vertegenwoordigen door drs. E.H.M.G. Duysters, werkzaam bij de gemeente
Roermond, en door W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met
artikel 8:81 van de Awb kan, indien - kort gezegd - tegen een uitspraak
van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van
de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Artikel 21 van de
Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met
betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter
van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak,
onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
Gelet op de gedingstukken en de uitlatingen van partijen is ter zitting
onderzocht of partijen bereid zijn elkaar wederzijds tegemoet te komen.
Daarbij is door de voorzieningenrechter 's Raads vaste jurisprudentie
met betrekking tot de omvang van de uit de artikelen 2, eerste lid, en 3
van de Wvg en artikel 1.2.c van de Verordening terzake woonvoorzieningen
voortvloeiende zorgplicht en de daarbij aan het gemeentebestuur
toekomende beleidsvrijheid onder de aandacht van partijen gebracht. In
dat verband is erop gewezen dat een gemeente bij wijze van
beleidsuitgangspunt in beginsel de goedkoopst adequate woonvoorziening
(verhuizing en/of woningaanpassing) mag aanbieden.
Gedaagde heeft vervolgens aangegeven bereid te zijn om, gelet op de
specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, als tegemoetkoming
in het kader van een schikking verzoekster een bedrag voor de kosten van
de aanpassing van de woning toe te kennen van € 53.400,--, welk bedrag
verzoekster - op een door gedaagde op adequaatheid te beoordelen wijze -
mag besteden aan de door haar gewenste (duurdere) woningaanpassing,
waarbij wordt voorzien in de installatie van een woonhuislift.
Vanwege verzoekster is verklaard dat daarmee wordt ingestemd, dat geen
schadevergoeding wordt gevorderd en dat geen verzoek wordt gedaan om
vergoeding van proceskosten en griffierecht. Partijen hebben elkaar over
en weer finale kwijting verleend.
Gelet op het vorenstaande is aan het hoger beroep van verzoekster en aan
het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen het procesbelang
komen te ontvallen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat ten slotte geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb
niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F.
Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13
maart 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.
|
|