|
Uitspraak
01/5051
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen (L.),
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 21 februari 2000 heeft gedaagde appellant een
handbewogen rolstoel toegekend, doch de door appellant gevraagde
woningaanpassing (traplift, badlift, verhoogd toilet en beugels) heeft
gedaagde geweigerd op de grond dat verhuizing naar een gelijkvloerse
woning de goedkoopst adequate oplossing is.
Het tegen de afwijzing van de woningaanpassing ingediende bezwaar is
door gedaagde bij het bestreden besluit van 8 januari 2001 ongegrond
verklaard.
Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank
Roermond bij uitspraak van 16 augustus 2001 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. P.H.G. van Vugt, advocaat te Venlo, van die
uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift (met
bijlage) aangevoerde gronden.
Bij brief van 20 december 2001 heeft gedaagde een verweerschrift (met
bijlage) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 11 maart 2003, waar
appellant bij zijn gemachtigde mr. P.H.G. van Vugt is verschenen en waar
gedaagde - zoals tevoren aangekondigd - niet is verschenen.
De Raad heeft het onderzoek heropend, waarna gedaagde de Raad nog een
tweetal faxberichten heeft toegezonden.
Het geding is vervolgens opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van
17 juni 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. P.H.G. van Vugt.
Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Verberkt en M. van
Duynhoven, beiden werkzaam bij de gemeente Bergen (L.).
II. MOTIVERING
De in de aangevallen uitspraak weergegeven feiten zijn niet betwist en
deze vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij de beoordeling van dit
geding.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten, van oordeel
zijnde dat gedaagde in het onderhavige geval terecht geen uitzondering
heeft gemaakt op het in de verordening neergelegde verhuisprimaat. De
rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen:
"Door eiser zijn geen nieuwe, nog niet in de
beoordeling betrokken factoren van medische aard aangevoerd die zich
verzetten tegen verhuizing. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de
door eiser aangevoerde belangen van praktische en psychosociale aard
onvoldoende zwaarwegend zijn en zich daarmee niet verzetten tegen
verhuizing naar een gelijkvloerse woning. Ook is de gevraagde vergoeding
van kosten voor woningaanpassing niet de goedkoopste voorziening, zodat
verhuizing in de rede ligt. Immers de kosten die gemaakt moeten worden
voor de vereiste woningaanpassing worden begroot op f 16.000,-- terwijl
de vergoeding voor verhuizing inclusief de vergoeding van eventueel te
verrichten kleine aanpassingen wordt geraamd op f 5.300,--. De rechtbank
is van oordeel dat, gelet op dit verschil in kosten, niet geoordeeld kan
worden dat er sprake zou zijn van een marginaal verschil in kosten,
waardoor aan woningaanpassing de voorkeur gegeven zou kunnen worden.
Onderzocht dient vervolgens te worden of bij verhuizing voor eiser een
dusdanige toename in de woonkosten ontstaat, dat dit dient te leiden tot
het maken van een uitzondering op het primaat als vorenomschreven.
Uit de rechtbank ter beschikking staande gegevens blijkt dat de
verwachte huurprijs voor een gelijkvloerse woning gemiddeld f 800,-- per
maand bedraagt. Uitgegaan wordt van een individuele huursubsidie van f
401,-- per maand. Het te betalen basisbedrag aan huur is dan ongeveer f
400,-- per maand. Vervolgens is een berekening gemaakt van de woonlasten
eigen woning. Deze worden gesteld op f 428,75 per maand, na aftrek voordeel rentelasten voor de
inkomstenbelasting is dat f 364,55 per maand.
Echter eiser beschikt over een eigen woning bij verkoop waarvan eiser
naar verwachting over een eigen vermogen komt te beschikken van f
179.000,-- (waarde Wet Onroerende Zaken minus de hypothecaire
verplichting). Eiser zal bij een dergelijk vermogen niet in aanmerking
komen voor een individuele huursubsidie. Dit verlies aan huursubsidie
wordt eiser volgens verweerder geacht te compenseren met het te behalen
rendement van ca f 5.000,-- per jaar uit de opbrengst van de eigen
woning, uitgaande van 4 % na aftrek belastingen en rentevrijstellingen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht uitgegaan is van het
standpunt dat eiser dit inkomen kan aanwenden om de hogere woonlasten op
te vangen. De toegenomen woonlasten acht de rechtbank dan ook
aanvaardbaar in het onderhavige geval."
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank.
Hetgeen namens hem in hoger beroep is aangevoerd komt er op neer dat er
qua woonruimte geen met zijn eigen woning vergelijkbare huurwoning
beschikbaar is, dat zijn huidige woning (met 3 slaapkamers, zolder,
garage en tuin) een wezenlijk groter woongenot heeft dan een
huurwoning/seniorenwoning, en dat de huurprijs van een min of meer
vergelijkbare gelijkvloerse huurwoning, blijkens de brief van 3
september 2001 van de Woningstichting [naam woningstichting], doorgaans
hoger zal zijn dan f 800,-- per maand.
Naar de Raad reeds eerder heeft overwogen (zie o.a. JSV 1998/255 (RSV
1998/318) en JSV 2000/33 (USZ 1999/283)) komt het zogenoemde primaat van
verhuizing in beginsel niet in strijd met de uit de artikelen 2 en 3 van
de WVG voortvloeiende zorgplicht om - onder meer - verantwoorde woonvoorzieningen voor gehandicapten te
bieden.
Er kunnen zich echter dusdanig zwaarwegende omstandigheden voordoen dat
op dat verhuisprimaat een uitzondering moet worden gemaakt. Naar het
oordeel van de Raad is hiervan in het onderhavige geval sprake. Daartoe
is het volgende overwogen.
Het inkomen van appellant en zijn echtgenote bestaat uit een uitkering
ingevolge de arbeidsongeschiktheidswetten en een toeslag op grond van de
Toeslagenwet. Volgens gedaagde kon appellant binnen redelijke termijn
een gelijkvloerse (senioren)woning van de woningstichting [naam
woningstichting] worden toegewezen. De maandelijkse huur voor een
dergelijke woning bedroeg gemiddeld f 800,--. De nettomaandlasten van
de huidige woning bedroegen ten tijde in geding f 364,55 per maand. De
Raad concludeert daaruit dat appellant in het geval van verhuizing naar
een voor hem adequate woning geconfronteerd zou worden met een forse
toename van de woonlasten (ten tijde in geding: minstens f 400,-- per
maand). Dit verschil zal naar verwachting door huurprijsstijgingen in
de toekomst alleen maar vergroten. Vast staat dat appellant niet in
aanmerking kwam voor huursubsidie en ook dat hij er bij verhuizing naar
de door gedaagde gesuggereerde huurwoningen in woongenot op achteruit
zou gaan (kleinere tuin, geen garage, kleinere woonkamer en keuken,
minder slaapkamers, geen logeermogelijkheid voor de kinderen). Dit
betekent dat van appellant verwacht werd dat hij zowel financieel als
anderszins fors zou inleveren. Gedaagde gaat er daarbij van uit dat
appellant de hogere woonlasten zelf financiert uit een beraamd rendement
van f 5.000,-- per jaar op de opbrengst van de verkoop van de eigen
woning ter waarde van f 179.000,--. Nog daargelaten dat twijfelachtig is
of deze rendementsprognose wel reλel is, is de Raad van oordeel dat,
mede gelet op het aanmerkelijk verlies aan wooncomfort en afgezet tegen
de meerkosten voor de gemeente indien de gevraagde woningaanpassingen
wel worden toegekend, in het onderhavige geval niet van appellant
verlangd mag worden dat hij voor in beginsel onbepaalde duur in de door
gedaagde gestelde mate uit eigen vermogen bijdraagt. Gedaagdes besluit
zou er immers op neer komen dat voor een verschil in de eenmalige kosten
voor de gemeente tussen enerzijds de gevraagde voorzieningen in de
huidige woning en anderzijds de verhuiskostenvergoeding en de aan te
brengen voorzieningen in de nieuwe woning, ter grootte van f 10.700,--
(exclusief jaarlijkse onderhoudskosten van de traplift), appellant
jaarlijks f 5.000,-- uit eigen vermogen dient in te brengen, nog
daargelaten de eenmalige kosten van de verkoop van de woning en van de
verhuizing, voorzover deze niet gedekt worden door de door gedaagde in
het vooruitzicht gestelde tegemoetkoming in de verhuiskosten van f
4.000,--. De Raad concludeert dan ook dat gedaagde, gelet op de
omstandigheden van het onderhavige geval, in redelijkheid niet heeft
kunnen komen tot het onverkort vasthouden aan het verhuisprimaat.
Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat gedaagde bij
het bestreden besluit ten onrechte onverkort het verhuisprimaat heeft
toegepast. Het bestreden besluit wordt derhalve vernietigd, evenals de
aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. Gedaagde
dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen
in deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 644,-- voor kosten van
verleende rechtsbijstand in beroep en op 966,-- voor kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot 1.610,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het door hem in eerste aanleg en in
hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 104,37 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
|
|