|
Uitspraak
02/1538
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Langedijk,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 13 juli 1999 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van het, in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten
(Wvg) en de Verordening voorziening gehandicapten (de Verordening)
genomen besluit, inhoudende dat de door haar aangevraagde bruikleenauto
niet wordt verstrekt.
Het tegen voormeld besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij
besluit van 30 mei 2000 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Alkmaar heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 3 januari 2002 ongegrond verklaard.
Van die uitspraak is mr. I. Winia, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te
Zoetermeer, namens appellante in hoger beroep gekomen. In een
beroepschrift en een aanvullend beroepschrift zijn de gronden
uiteengezet waarop dat hoger beroep berust.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 juni
2003, waar - zoals tevoren aangekondigd - appellante en haar gemachtigde
niet zijn verschenen en waar voor gedaagde is verschenen J.F. Vijn,
werkzaam bij de gemeente Langedijk.
II. MOTIVERING
De feiten welke de rechtbank blijkens rubriek 2 van de aangevallen
uitspraak als vaststaande heeft aangenomen vormen voor de Raad het
uitgangspunt bij zijn beoordeling.
Gedaagde heeft de aangevraagde bruikleenauto geweigerd op grond van het
advies van ZVN-arts J. van Helvoirt van 26 juni 1999. Dit rapport is
mede gebaseerd op de brief van de behandelend internist J.F.A. Vleer van
10 mei 1999. Tevens heeft deze arts op 29 december 1999 met deze
internist getelefoneerd, uit welk gesprek volgens Helvoirt bleek dat de
incontinentieproblematiek niet van dien aard was dat de gevraagde
voorziening als zijnde noodzakelijk moest worden verstrekt, nu de
internist had aangegeven dat de incontinentie wel meeviel en er op dat
moment een redelijk evenwicht bereikt leek te zijn. Gedaagde is van
mening dat hij voldoet aan zijn zorgplicht, aangezien appellante gebruik
kan maken van aanvullend openbaar vervoer, een taxi-en/of
vervoersvergoeding, een handbewogen rolstoel en een scootmobiel.
Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat zij van
mening is dat zij uitsluitend met een bruikleenauto in staat is om haar
sociale contacten te onderhouden. Zij stelt vanwege haar
incontinentieproblematiek en haar spierziekte niet in staat te zijn
gebruik te maken van aanvullend openbaar vervoer. Tevens is namens haar
aangevoerd dat de bij de internist ingewonnen medische informatie door
gedaagde en ZVN verkeerd is geïnterpreteerd. Volgens appellante is de
internist Vleer met haar van mening dat de incontinentie zo ernstig is
dat het vervoer per aanvullend openbaar vervoer voor haar niet adequaat
is. Verder is aangevoerd dat zij ten gevolge van een locomotoire
aandoening, een spierziekte en een longaandoening zeer slecht tegen
tocht kan. Door het gebruik van de taxi zijn haar longklachten
verergerd. Tenslotte is gesteld dat zij vanwege haar lengte (1,88 m)
niet lang is één houding kan zitten. Het vervoer per busje levert haar
derhalve rugklachten op.
Op grond van een aanvullend advies van ZVN-arts Van Helvoirt van 7
januari 2000, die op 4 januari 2000 opnieuw telefonisch contact heeft
gehad met internist Vleer, en het advies van de Commissie voor de
bezwaarschriften van 2 mei 2000 heeft gedaagde het bezwaar van
appellante bij beslissing van 30 mei 2000 ongegrond verklaard.
In beroep is namens appellante aangevoerd dat zij vanwege haar ernstige
lichamelijke klachten geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer en
dat gedaagde ten onrechte geen medisch onderzoek heeft ingesteld naar de
door haar aangegeven rug- en longklachten. Namens appellante is een
brief van internist Vleer d.d. 11 oktober 2000 overgelegd waaruit
volgens haar naar voren komt dat in januari 2000 bij appellante reeds
sprake was van het niet meer kunnen ophouden van de urine en dat de
inschatting van deze internist was dat het beeld de volgende jaren niet
zou verbeteren en dat er rug- en longklachten zouden kunnen ontstaan. In
de namens appellante overlegde brief van internist Vleer van 31 januari
2001 wordt aangegeven dat er ook sprake was van incontinentie van de
ontlasting en dat deze in de loop van de tijd alleen maar zou toenemen.
De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit in
rechte stand kan houden. Daartoe heeft zij onder meer het volgende
overwogen:
"Verweerder heeft zich ter zitting naar het oordeel van
de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat gelet op de door
eiseres overgelegde medische informatie ten tijde van het bestreden
besluit geen sprake was van tweevoudige incontinentie en dat uit die
gegevens niet blijkt dat sprake is van ernstige incontinentie. Verder is
verweerder van mening dat voor het geval incontinentie wel een reden zou
zijn op grond waarvan geen gebruik kan worden gemaakt van collectief
vervoer, gebruik kan worden gemaakt van individueel aangepast
taxivervoer. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ten aanzien van de
in de bezwaarprocedure aangegeven rug- en longklachten namens eiseres
geen medische gegevens overgelegd op grond waarvan van verweerder mocht
worden verwacht dat hij een aanvullend medisch onderzoek zou entameren.
Voorts wijst de rechtbank erop dat in de door eiseres overgelegde brief
van 11 oktober 2000 van haar behandelend internist is vermeld dat er
long- en rugklachten zullen ontstaan, doch niet dat deze klachten reeds
(in betekende mate ) bestaan. Ten slotte overweegt de rechtbank dat de
Wvg niet beoogt aan elke wens tegemoet te komen, hoe begrijpelijk die
wensen ook zijn. Het gaat erom een tegemoetkoming te bieden zodat de
betrokkene binnen het naaste woonmilieu nog in aanvaardbare mate deel
kan nemen aan het leven van alledag. Niet kan worden gezegd dat
verweerder in dit opzicht niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan."
In hoger beroep is namens appellante - wederom - aangevoerd dat gedaagde
alsnog een medisch onderzoek had moeten instellen naar de rug- en
longklachten. Volgens appellante kan uit de brief van internist Vleer
van 7 mei 2002 afgeleid worden dat de rug- en longklachten reeds lang
hebben bestaan en dat er tevens samenhang bestaat met haar spierziekte.
Appellante blijft bij haar standpunt dat zij niet in staat is om met het
aanvullend openbaar vervoer te reizen. Tevens geeft zij aan dat de
mogelijkheid van individueel aangepast taxivervoer haar nooit is
aangeboden en dat deze mogelijkheid niet in de Verordening of in folders
wordt genoemd.
Gedaagde blijft bij zijn standpunt dat ten tijde in geding naar
aanleiding van de overgelegde medische adviezen geen wezenlijke
beperkingen blijken voor het gebruik van aanvullend openbaar vervoer.
Daarnaast kon appellante gebruik maken van een rolstoelgeschikte taxi
waarin individueel gereisd kon worden. De aangevoerde rugklachten gelden
volgens gedaagde voor alle vervoersvormen, dus ook voor de
bruikleenauto, en zijn geen bijzondere reden om geen gebruik te kunnen
maken van openbaar (individueel) vervoer. Aanvullend is door gedaagde
opgemerkt dat (tweevoudige) incontinentie op zich geen bijzondere
omstandigheid is voor het verstrekken van een bruikleenauto.
De Raad overweegt als volgt.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellante - ten tijde in
geding - kon deelnemen aan het aanvullend openbaar vervoer en/of het
individuele taxivervoer.
De Raad is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden
beantwoord. Door ZVN is voldoende onderzocht of appellante in staat was
om met het aanvullend openbaar vervoer dan wel het individuele
taxivervoer te reizen. De ZVN-arts Van Helvoirt is afgegaan op een niet
voor andere uitleg vatbare brief van de behandelend internist Vleer van
10 mei 1999, alsmede op telefonisch verkregen nadere inlichtingen van
deze internist. Daaruit blijkt dat de incontinentie ten tijde in geding
niet zodanig ernstig was dat appellante geen gebruik kon maken van het
aanvullend openbaar vervoer dan wel het individuele taxivervoer. Ook uit
de daarop volgende brieven van internist Vleer blijkt niet dat er ten
tijde in geding sprake was van dusdanig ernstige incontinentie en/of
andere lichamelijke beperkingen dat het gebruik van aanvullend openbaar
vervoer dan wel individueel taxivervoer onmogelijk was.
Met betrekking tot de incontinentieproblematiek verwijst de Raad naar
hetgeen hij onder meer heeft overwogen in zijn uitspraak van 11 oktober
2000, (USZ 2000/311), er op neerkomend dat incontinentie niet (altijd)
een beletsel hoeft te zijn voor deelname aan het collectief vervoer,
onder meer omdat het bij een dergelijke vervoersvoorziening in de regel
gaat om vrij korte afstanden in de directe woon- en leefomgeving waarbij
er van mag worden uitgegaan dat incontinentiemateriaal een adequate
oplossing biedt.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand
houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|