|
Uitspraak
00/6547 WVG, 00/6548 WVG en 00/6554
WVG
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Ooststellingwerf, appellant,
en
[gedaagde1], [gedaagde2] en [gedaagde3], wonende te [woonplaats],
gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellant heeft bij besluiten van 8 juli 1998 afwijzend beslist op de
aanvraag van appellanten om hen op grond van het bepaalde bij en
krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een
vervoersvoorziening toe te kennen.
Gedaagde heeft de tegen deze besluiten gerichte bezwaren bij de
bestreden besluiten van 20 november 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraken van 17 november 2000 het
beroep tegen deze besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd,
bepaald dat nieuwe besluiten op de bezwaren worden genomen met
inachtneming van haar uitspraken en appellant veroordeeld tot vergoeding
van proceskosten en griffierecht.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraken in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagden heeft mr. F. Bakker, werkzaam bij het Buro voor
Rechtshulp te Leeuwarden, een verweerschrift ingezonden alsmede bij
brief van 4 oktober 2001 rapporten van orthopedagoog/psycholoog M.
Bleeksma, werkzaam bij Stichting Molendrift te Groningen.
De gedingen zijn tezamen met de gedingen, geregistreerd bij de Raad
onder de nummers 00/6549, 6551 t/m 6553, 6555 t/m 6557 en 6559 WVG
gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 27 november 2001. Voor
appellant zijn daar verschenen drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de
Vereniging voor Nederlandse Gemeenten, en mr. C. van Fleeren, werkzaam
bij de gemeente Ooststellingwerf. Gedaagden hebben zich daar laten
vertegenwoordigen door mr. Bakker, voornoemd, en [naam vader], vader
van gedaagde [gedaagde1].
Na de behandeling ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet
volledig is geweest. In verband daarmee is besloten het onderzoek te
heropenen.
In opdracht van appellant hebben prof. dr. B.F. van der Meulen,
orthopedagoog/GZ-psycholoog, werkzaam bij de Rijksuniversiteit Groningen
en M.A. Strick, student orthopedagogiek aan die universiteit verslag
gedaan van hun bevindingen en conclusies aangaande gedaagden welk
verslag door appellant bij brief van 26 november 2002 aan de Raad is
toegezonden. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van
appellant hebben zij hun conclusies bij brief 14 januari 2003 nader
gemotiveerd.
Appellant heeft bij brief van 13 maart 2003 een reactie ingezonden op
deze rapporten, waarop namens gedaagden bij schrijven van 5 juni 2003 is
gereageerd.
De gedingen zijn opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 1 juli
2003. Voor appellanten zijn daar wederom verschenen drs. Peters en mr.
Van Fleeren, voornoemd. Voor gedaagden zijn daar wederom verschenen mr.
Bakker en de heer Oswald, voornoemd. Tevens zijn daar als deskundigen
gehoord prof. dr. Van der Meulen en mevrouw Strick, voornoemd, en M. de
Jonge, leidinggevende bij de [naam instelling] te [vestigingsplaats].
II. MOTIVERING
Gedaagden wonen in "[naam instelling]", een ingevolge artikel
8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) erkende instelling
voor verstandelijk gehandicapten te [plaatsnaam]. Namens gedaagden is op
15 januari 1998 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg een
vervoersvoorziening aangevraagd.
Appellant heeft deze aanvragen afgewezen. Hij heeft zich op het
standpunt gesteld dat gedaagden onder begeleiding gebruik kunnen maken
van het openbaar vervoer en dat het onderhavige bovenregionale
weekendvervoer van en naar de instelling niet onder de zorgplicht van de
Wvg valt. De contacten van gedaagden met hun ouders worden wezenlijk
gevonden, maar niet zodanig essentieel dat zij in een sociaal isolement
zullen geraken wanneer deze niet op de door hen gewenste wijze kunnen
worden onderhouden. Volgens appellant hebben gedaagden contacten binnen
de instelling en kunnen zij daar desgewenst bezoek ontvangen, ook van de
ouders. Het vervoer op doordeweekse dagen wordt vanuit de instelling
geregeld. Appellant baseert zijn standpunt mede op de bevindingen van
onderzoeken ingesteld door ZVN Advies N.V. d.d. 23 juni 1998 en 22
september 1998.
Gedaagden stellen daar tegenover dat de contacten met de ouders dusdanig
wezenlijk zijn dat een toestand van sociaal isolement/vervreemding
dreigt wanneer hen onvoldoende de gelegenheid wordt geboden voor
weekendbezoek aan de ouder(s).
De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat gedaagden onder
begeleiding met het openbaar vervoer kunnen reizen onderschreven.
Gedaagden hebben naar haar oordeel geen argumenten aangedragen dat zij
daartoe niet in staat zouden zijn. Nochtans heeft zij het beroep gegrond
verklaard wegens ontoereikend onderzoek en ondeugdelijke motivering. De
door ZVN ingestelde onderzoeken zijn naar haar oordeel te algemeen
geweest en te weinig toegesneden op de individuele situatie van
gedaagden. Bovendien is niet gebleken dat er een arts betrokken is
geweest bij het onderzoek in "[naam instelling]". In de
ZVN-rapporten zijn de contacten met de ouders wel genoemd. Mede in
aanmerking genomen de aard van de handicap had gericht onderzoek naar
deze contacten naar haar oordeel niet mogen ontbreken. Appellant zou
naar haar oordeel moeten onderzoeken of die contacten zodanig essentieel
zijn dat daarmee rekening moet worden gehouden en moeten bezien in
hoeverre het bezoek van de ouders aan "[naam instelling]" een
reëel alternatief kan zijn voor weekendbezoek aan het ouderlijk huis.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen dat oordeel gekeerd. Hij
stelt zich op het standpunt dat niet iedere verstandelijk gehandicapte
die in een AWBZ-instelling verblijft vereenzaamt als hij/zij niet in
staat is om zijn/haar ouders te bezoeken. Ter zake van gedaagden was er
naar zijn mening geen aanleiding voor onderzoek naar dreigend sociaal
isolement omdat er geen signalen waren dat dit zinvol zou kunnen zijn.
Het gaat volgens appellant te ver om bij iedere bewoner van een
AWBZ-instelling ambtshalve te onderzoeken of sociaal isolement optreedt
indien het ouderlijk huis niet bezocht kan worden. Er is te meer reden
om daar slechts onderzoek naar te doen wanneer daarvoor signalen zijn nu
gemeentebesturen blijkens de jurisprudentie slechts in uitzonderlijke
situaties een zorgplicht voor bovenregionaal vervoer hebben. Appellant
acht het onjuist dat de eventuele aanwezigheid van sociaal
isolement/vervreemding beoordeeld zou moeten worden door een arts
aangezien deze daarover vanuit zijn deskundigheid geen oordeel toekomt.
Het betreft hier volgens appellant een competentie die op het terrein
van de orthopedagogie/psychologie ligt.
Gedaagden hebben gepersisteerd bij hun standpunt dat sociaal isolement
zal optreden wanneer de drie wekelijkse weekendbezoeken aan het
ouderlijk huis niet gecontinueerd zullen kunnen worden. Ter
ondersteuning van hun standpunt zijn rapporten van de
orthopedagoog/psycholoog M. Bleeksma, werkzaam bij Stichting Molendrift
te Groningen, ingezonden.
Naar aanleiding van de zitting van de Raad van 27 november 2001 heeft
appellant aan de Rijksuniversiteit Groningen een second opinion gevraagd
met betrekking tot de vraag of bij gedaagden sociaal isolement dreigt
indien de weekendbezoeken aan huis niet voortgezet kunnen worden. Prof.
dr. B.F. van der Meulen, orthopedagoog/GZ-psycholoog, en M.A. Strick,
student orthopedagogiek aan die universiteit, hebben die vraag ten
aanzien van gedaagden, op basis van een individuele motivering en een
gedifferentieerd oordeel, positief beantwoord. De kritiek van appellant
dat gedaagden ook contacten binnen de instelling hebben, zij het niet
allen met dezelfde diepgang en intensiteit, en dat ook contacten met de
ouders kunnen worden onderhouden door middel van bezoeken van de ouders
aan de instelling en door middel van telefoongesprekken, heeft de
deskundigen niet tot een ander oordeel gebracht. Zij hebben er in hun
nadere rapportage en ter zitting van de Raad op gewezen dat de kwaliteit
van het contact met de ouders voor verstandelijk gehandicapten, gelet
op de aard van hun handicap, van een geheel ander niveau is dan de
contacten met (niet zelf gekozen) medebewoners en begeleiders, en dat
het blijvend kunnen onderhouden van die contacten in de eigen omgeving
van het ouderlijke huis, behoort tot de eerste, belangrijkste, kring van
voor een verstandelijk gehandicapte essentiële sociale contacten. Bij
verstandelijk gehandicapten, als gedaagden, wijkt het
ontwikkelingsproces van verzelfstandiging en losmaking van de ouders
wezenlijk af en wordt het veelal nooit voltooid.
De Raad dient, gezien het vorenstaande de vraag te beantwoorden of
appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het zogeheten
weekendvervoer niet tot zijn uit de Wvg voortvloeiende zorgplicht valt.
Het volgende wordt overwogen.
Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg
draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten
behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de
gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg
dienen deze voorzieningen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te
zijn. Deze bepalingen brengen - naar 's Raads vaste jurisprudentie - mee
dat aan de ter plaatse wonende gehandicapten, die daarop aangewezen
zijn, een zodanige vervoersvoorziening moet worden aangeboden dat zij in
hun naaste woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate in staat worden
gesteld om sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het
leven van alledag. Daarin ligt tevens besloten dat de aanwezigheid van
belangrijke bovenregionale contacten en/of activiteiten op zichzelf
genomen niet beslissend kan zijn voor de omvang van de zorgplicht van de
gemeentebesturen, maar dat dit anders kan komen te liggen indien
duidelijk komt vast te staan dat er sprake is van dusdanig wezenlijke -
uitsluitend door persoonlijk bezoek te onderhouden - contacten dat
zonder deze vereenzaming of sociaal isolement optreedt.
Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Raad betreffende de
voorliggende concrete gevallen van oordeel dat de contacten van
gedaagden met hun ouders zodanig wezenlijk moeten worden geacht dat
zonder deze vereenzaming of sociaal isolement, dan wel een daarmee op
één lijn te stellen toestand zal optreden.
De Raad acht zich dienaangaande voldoende voorgelicht door de vanwege
appellant ingewonnen deskundigenrapporten van de orthopedagoog/GZ-psycholoog
prof.dr. B.F. van der Meulen, zoals nader toegelicht ter zitting van de
Raad, de vanwege gedaagden ingewonnen rapporten van de
orthopedagoog/psycholoog M. Bleeksma, werkzaam bij Stichting Molendrift
te Groningen, en de ter zitting van de Raad afgelegde verklaring door M.
de Jong, leidinggevende bij "[naam instelling]". Uit deze
rapporten en verklaringen, in hun onderlinge samenhang bezien, moet
worden afgeleid dat bij verstandelijk gehandicapten, zoals gedaagden,
die in een ingevolge artikel 8 van de AWBZ erkende instelling
verblijven, veelal sprake is van een gezien de aard van de handicap
specifieke ouder-kind relatie, waarin beiden zodanig 'op elkaar
betrokken' zijn, dat het niet kunnen onderhouden van contacten
schadelijk moet worden geacht voor de geestelijke gezondheid van de
gehandicapte. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat een
toestand van sociaal isolement/vervreemding slechts in bijzondere
omstandigheden mag worden aangenomen, overweegt de Raad dat zulks op
zichzelf genomen juist is, doch dat uit het vorenstaande volgt dat bij
een groep van gehandicapten als de onderhavige, gezien de aard van de
handicap, van de aanwezigheid van een bijzondere situatie mag worden
uitgegaan, onverminderd de mogelijkheid dat het gemeentebestuur kan
vaststellen dat zulk een situatie zich in een concreet geval niet
voordoet. De Raad wijst er nog op dat hij reeds in zijn uitspraak van 15
januari 1999, gepubliceerd in JSV 1999/182, overwogen heeft dat hij geen
gronden ziet om het zogeheten weekendvervoer van verstandelijk
gehandicapten niet te beschouwen als te zijn gericht op deelname aan het
maatschappelijk verkeer of anderszins categoraal van de zorgplicht
ingevolge de Wvg uitgesloten te achten.
De Raad is - gelet op het vorenstaande - van oordeel dat het
weekendvervoer van gedaagden naar de ouders en weer terug tot de in de
artikelen 2, eerste lid, en 3 van de Wvg, geregelde zorgplicht van de
gemeentebesturen behoort.
Uit 's Raads jurisprudentie met betrekking tot het bovenregionale
weekendvervoer van gehandicapten die in een ingevolge artikel 8 van de
AWBZ erkende instelling verblijven, bij voorbeeld 's Raads uitspraak van
22 mei 2001, gepubliceerd in JSV 2001/130, vloeit verder voort dat een
gemeentebestuur in een geval, waarin het gaat om het kunnen onderhouden
van wezenlijke contacten, zo veel doenlijk zal moeten vaststellen in
welke mate gelegenheid moet bestaan om deze contacten te onderhouden
teneinde te voorkomen dat de gehandicapte in een met vervreemding of
sociaal isolement op één lijn te stellen toestand zal geraken.
Bij deze vaststelling kunnen alle ter zake dienende feiten in aanmerking
worden genomen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de frequentie
waarmee deze contacten in het verleden zijn onderhouden, aangezien
daarin een aanwijzing voor de noodzakelijke contactfrequentie kan zijn
gelegen. Tevens zal daarbij betrokken kunnen worden in hoeverre de
gehandicapte binnen de instelling met medebewoners en personeelsleden
betekenisvolle contacten onderhoudt, respectievelijk heeft onderhouden.
De Raad is van oordeel dat uit de rapporten van prof. Van der Meulen, in
samenhang met zijn ter zitting van de Raad afgelegde verklaring, moet
worden afgeleid dat de contacten van gedaagden binnen "[naam
instelling]" kwalitatief niet op één lijn kunnen worden gesteld
met de contacten met hun ouders en dat gedaagden, gezien de aard van hun
handicap, specifieke problemen ondervinden bij communicatie door middel
van de telefoon. De Raad tekent daarbij evenwel aan dat hij in de
voorhanden gegevens, waarvan in het bijzonder de onderzoeksbevindingen
van prof. dr. Van der Meulen en M.A. Strick, afleidt dat de gedaagden
Oswald en Bos in substantiële mate contacten als vorenbedoeld binnen de
instelling hadden, maar dat zulks voor de gedaagde Meijer niet of
nauwelijks het geval was. Laatstgenoemde was dan ook naar het oordeel
van de Raad in (nog) verdergaande mate aangewezen op de contacten met
zijn moeder dan beide anderen met hun ouders.
De Raad voegt hieraan - in de lijn van zijn uitspraken van 15 januari
1999, gepubliceerd in USZ 1999/81, 82 en 83 - toe dat bij de vraag naar
de omvang van de zorgplicht van de gemeentebesturen betekenis toekomt
aan de mate waarin van degenen, met wie wezenlijke contacten worden
onderhouden, redelijkerwijs kan worden gevergd dat zij de gehandicapte
in de instelling bezoeken. De Raad is van oordeel dat het wederzijdse
aandeel van de gehandicapte en degenen met wie een essentieel contact
wordt onderhouden in de instandhouding van de contacten in beginsel, dat
wil zeggen behoudens contra-indicatie, kan worden gesteld op ieder de
helft, en dat, in dat geval, een vervoersvoorziening die de gehandicapte
in staat stelt grosso modo de helft van het noodzakelijke aantal
contacten te onderhouden door middel van het afleggen van bezoeken, niet
in strijd komt met het bepaalde in artikel 3 van de Wvg. De Raad tekent
hierbij aan dat een gemeentebestuur deugdelijk gemotiveerd kan aantonen
dat in een voorliggend geval met een lagere contactfrequentie of met
een lagere bezoekfrequentie kan worden volstaan. Evenzeer staat het een
belanghebbende vrij om door middel van deugdelijk gemotiveerde
(medische) verklaringen het tegendeel aan te tonen.
Uit het vorenstaande volgt dat appellant zich ten onrechte op het
standpunt heeft gesteld dat geen zorgplicht bestaat voor het
weekendvervoer van gedaagden en dat eveneens ten onrechte geen onderzoek
is ingesteld naar de noodzakelijke frequentie van de contacten en het
wederzijdse aandeel in het onderhouden daarvan van gedaagden en hun
ouders. Hieruit volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met het
bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht niet in stand kan blijven. Hieruit volgt tevens dat het
hoger beroep ongegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd. Appellant zal nieuwe besluiten op de bezwaren van
gedaagden moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van gedaagden
in hoger beroep. Deze worden begroot op € 1.943,99 (31,5 uur x f
136,-- = f 4.284,--) voor drie rapporten uitgebracht door de deskundige
Bleeksma en € 1.449,-- aan rechtsbijstand.
De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de psycholoog Bleeksma
aan gedaagden een uurtarief van f 190,-- in rekening heeft gebracht,
maar dat de daarop betrekking hebbende vordering van gedaagden gezien
het bepaalde in artikel 2, eerste lid aanhef en onder b van het Besluit
proceskosten bestuursrecht slechts gehonoreerd worden tegen een tarief
van f 136,-- per uur. Voorts heeft de Raad op de vergoeding voor
rechtsbijstand de factor 1,5 toegepast wegens samenhang met de zaken
geregistreerd onder 00/6549 + 6551 + 6552 + 6553 + 6555 + 6556 + 6557 en
6559 WVG.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Draagt appellant op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van
deze uitspraak;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten in hoger
beroep, in totaal € 3.392,99, waarvan € 922,09 te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven groot €
306,30;
Wijst de gemeente Ooststellingwerf aan als de rechtspersoon die de
proceskosten en het griffierecht dient te betalen.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|