|
Uitspraak
02/2540
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het bestuur van het gemeenschappelijk orgaan Regionale Organisatie
Gehandicaptenvoorzieningen [naam organisatie], gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij het bestreden besluit van 19 juli 2001 heeft gedaagde zijn besluit
van 4 juli 2000 om aan appellante op grond van het bepaalde bij en
krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) geen woonvoorziening
te verstrekken in de vorm van het rolstoeltoe- en doorgankelijk maken
van de woning gehandhaafd.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 2 april 2002 het beroep
tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is L. Lucardie, sociaal raadsman bij de Diaconie van
de Hervormde Gemeente te Maassluis, op bij beroepschrift aangevoerde
gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Namens appellante is bij brief van 9 december 2002 van repliek gediend
en zijn bij faxbericht van 11 augustus 2003 nadere inlichtingen
verstrekt.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 13 augustus 2003.
Voor appellante zijn daar verschenen L. Lucardie, voornoemd, en J. Bol,
voorzitter van het College van Kerkvoogden van voornoemde Hervormde
Gemeente. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. I.
de Vries en mevrouw I. de Jonge, beiden werkzaam in dienst van het
gemeenschappelijk orgaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante, geboren in 1950, lijdt sinds 1980 aan multiple sclerose. Zij
is volledig rolstoelafhankelijk. Zij heeft met haar echtgenoot, die
predikant is, tot in het voorjaar van het jaar 2000 een aangepaste
woning te [plaatsnaam] bewoond. De kerkeraad van de Hervormde Gemeente
Maassluis heeft haar echtgenoot in het voorjaar van dat jaar beroepen
voor de functie van dominee in de wijkgemeente [gemeentenaam]. De
echtgenoot heeft het beroep aangenomen en heeft op 25 juni 2000 zijn
intrede gedaan. Appellante en haar echtgenoot hebben eind mei/begin juni
2000 hun intrek genomen in de pastorie te [woonplaats]. Deze is
gevestigd aan het [adres] en is eigendom van de Kerkvoogdij van de
Nederlands Hervormde Gemeente. Voorafgaande aan de aanvaarding van het
beroep is door de kerkvoogdij toegezegd dat de pastorie zou worden
aangepast aan de beperkingen van appellante, waarbij is meegewogen dat
een beroep zou worden gedaan op de voorzieningen van de Wvg. Eind maart
2000 is namens appellante contact opgenomen met gedaagde, hetwelk heeft
geleid tot de indiening van een aanvraag om woonvoorzieningen ingevolge
de Wvg op 30 maart 2000. Op 5 april 2000 heeft D. Mechelinck, werkzaam
in dienst van gedaagde, een bezoek gebracht aan de woning met het oog op
het opstellen van een advies. Op 18 april 2000 is door de Bouw Advies
Groep (BOAG) een globaal programma van eisen opgesteld en een
kostenbegroting gemaakt die uitkwam op f 50.000,--. Mechelinck heeft
omtrent zijn bevindingen op 23 mei en 19 juni 2000 advies uitgebracht.
In zijn advies is overwogen dat de mogelijkheid om te zoeken naar een
andere woning dan de pastorie, die wel rolstoeltoe- en doorgankelijk is,
niet reλel wordt geacht aangezien dergelijke woningen in [woonplaats]
schaars zijn en het van belang is dat appellante in verband met het werk
van haar man in de buurt van de kerk woont. De kerk moet evenwel, gelet
op zijn advies van 19 juni 2000, zelf verantwoordelijk worden geacht
voor het treffen van de aangevraagde voorzieningen. BOAG heeft in zijn
rapport van 8 juni 2000 geadviseerd om beleidsmatig bij de
besluitvorming te betrekken dat de woningaanpassing hoge kosten met zich
meebrengt, dat de aan te passen woning een dienstwoning is en dat niet a
priori vaststaat dat deze na vertrek van appellante door een andere
gehandicapte bewoond zal gaan worden.
Gedaagde heeft de aangevraagde woonvoorzieningen bij primair besluit van
4 juli 2000 gedeeltelijk toegekend en gedeeltelijk geweigerd. Toegekend
zijn een vergoeding voor een onderrijdbare keuken (f 7.050,--) en een
verhoogd toilet (f 645,--). Geweigerd is een tegemoetkoming in de kosten
van rolstoeltoe- en doorgankelijk maken van de woning. Gewezen is op de
hoge kosten van de aan te brengen voorzieningen. Geadviseerd is om een
andere woning te zoeken die tegen lagere kosten aanpasbaar is.
Vanwege gedaagde is niet naar een andere woning gezocht omdat de
pastorie een ambtswoning is.
Appellante is van het primaire besluit in bezwaar gekomen voor zover
daarbij de gevraagde voorzieningen zijn geweigerd. Daarbij is ondermeer
een beroep gedaan op het door het gemeenschappelijk orgaan van Regionale
Organisatie Gehandicapten voorzieningen Nieuwe Waterweg Noord
vastgestelde Besluit woningaanpassing boven de f 45.000,-- (hierna: het
Besluit).
Gedaagde heeft hierin aanleiding gevonden om advies in te winnen bij het
Regionaal Indicatie Orgaan Nieuwe Waterweg Noord (RIO). Het RIO heeft
bij brief van 2 april 2001 geadviseerd appellante niet in aanmerking te
brengen voor een woningaanpassing boven de f 45.000,-- omdat verhuizing
naar een aangepaste woning een beter alternatief is, de pastorie in de
toekomst na vertrek van appellante niet weer vrijkomt voor een andere
gehandicapte, alsook omdat appellante in een aangepaste woning woonde.
Gedaagde heeft vervolgens het bezwaar tegen het besluit van 4 juli 2000
bij het bestreden besluit van 19 juli 2001 ongegrond verklaard. Daarbij
is verwezen naar het RIO-advies. Met betrekking tot het beroep op het
Besluit heeft gedaagde overwogen dat er een AWBZ-indicatie moet zijn om
een woningaanpassing boven de f 45.000,-- in het kader van de Wvg uit te
kunnen voeren. Naast deze indicatie blijven volgens gedaagde de regels
gelden, zoals vastgelegd in de Wvg, de ter uitvoering van de Wvg
vastgestelde gemeentelijke verordening en het Besluit zelve.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen onder herhaling
en nadere adstructie van de in eerdere instanties aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit
neergelegde standpunt.
De Raad dient, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, in
dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte
stand houdt. Het volgende wordt overwogen.
Tussen partijen is niet in geschil - en ook voor de Raad staat vast -
dat de aangevraagde woonvoorzieningen ten tijde in geding duurder waren
dan f 45.000,--.
Gedaagde heeft zijn beleid met betrekking tot het verstrekken van
woonvoorzieningen duurder dan f 45.000,-- neergelegd in het Besluit.
Blijkens artikel 1 van het Besluit dient ter zake van een aanvraag om
een woonvoorziening waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen
dan f 45.000,-- advies te worden ingewonnen bij het RIO omtrent het al
dan niet aanwezig zijn van een AWBZ-indicatie.
De Raad stelt vast dat gedaagde bij het RIO advies heeft ingewonnen,
maar dat het, daargelaten de vraag of het rechtens geoorloofd is de eis
van het bestaan van een AWBZ-indicatie bij de toepassing van artikel 8
van de Wvg te stellen, onduidelijk is gebleven of het RIO zulk een
indicatie ten aanzien van appellante heeft gesteld, nu de aan het
bestreden besluit ten grondslag liggende stukken daarvoor met betrekking
tot de periode in geding geen, althans niet uitdrukkelijk steun geven.
Daardoor kan niet worden vastgesteld, daargelaten nogmaals de vraag of
de eis van een AWBZ-indicatie mag worden gesteld, of zich ten aanzien
van appellante de situatie van artikel 2 van het Besluit dan wel van
artikel 3 van het Besluit voordoet.
Volgens artikel 2 van het Besluit wordt bij een aanvrager met een
AWBZ-indicatie, die thuis wil blijven wonen, bekeken of hij of zij met
mantelzorg of extramurale zorg nog 3 tot 5 jaar zelfstandig in de
aangepaste woning kan blijven wonen, in welk geval de dure aanpassing
wordt verstrekt. Indien er geen AWBZ-indicatie is en alle andere
mogelijkheden bekeken zijn dan wordt volgens artikel 3 van het besluit
de aanvraag tot woningaanpassing ter goedkeuring voorgelegd aan
gedaagde.
De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde niet deugdelijk heeft
gemotiveerd waarom artikel 2 van het Besluit ten tijde in geding in
weerwil van zijn tekst aldus moest worden uitgelegd, dat - in afwijking
van de inhoud van dat artikel - het in de gemeentelijke verordening
bepaalde met betrekking tot het kunnen toewijzen van woonvoorzieningen,
onverminderd van toepassing zou moeten blijven. Voor zulk een uitleg
valt naar 's Raads oordeel noch in de tekst van dit artikel noch in de
toelichting bij het Besluit steun te vinden.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit zich niet verdraagt
met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
dat dit besluit mitsdien niet in stand kan blijven. Het zal dan ook
dienen te worden vernietigd, voor zover aangevochten, evenals de
aangevallen uitspraak in zoverre.
Met betrekking tot het standpunt van gedaagde dat de werkzaamheden aan
de pastorie zijn begonnen voordat op de aanvraag is beslist zodat de
aanvraag gezien artikel 2.7, aanhef en onder a, van de Verordening
afgewezen moet worden, merkt de Raad op dat deze grond, daargelaten de
vraag of gedaagde daarop in het onderhavige geval, gezien de wijze
waarop hij de onderhavige aanvraag heeft behandeld en heeft beslist, met
vrucht een beroep kan doen, niet aan het bestreden besluit ten grondslag
is gelegd en dat de beoordeling ervan mitsdien de grenzen van het
onderhavige geschil te buiten gaat.
Gedaagde zal zich nader dienen te beraden en een nieuw besluit op het
bezwaar van appellante dienen te nemen met inachtneming van deze
uitspraak.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit voor zover aangevochten;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op het bezwaar van appellante
neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Gelast dat gedaagde het door appellante in beroep en hoger beroep
gestorte griffierecht ad 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
10 september 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|