|
Uitspraak
02/723
WVG en 03/3299 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Borculo,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij besluit van 15 februari 2000 afwijzend beslist op de
aanvraag van appellanten om hen ten behoeve van hun dochter Sharisse,
geboren in november 1994, op grond van het bepaalde bij en krachtens de
Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening toe te
kennen in de vorm van een auto in bruikleen. Daarbij heeft gedaagde het
standpunt ingenomen dat voor Sharisse goedkopere adequate voorzieningen
mogelijk zijn, zoals vervoer per rolstoeldeeltaxi dan wel gebruikmaking
van de eerder verstrekte speciale wandelwagen (buggy) en een aanvullende
financiële tegemoetkoming voor vervoer per taxi (of per auto van
derden).
Bij op 2 november 2000 verzonden besluit heeft gedaagde het tegen
voormeld besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 21 december 2001 het beroep
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellanten zijn van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, geadstrueerd middels
verklaringen van de behandelend kinderneuroloog prof. dr. J.J. Rotteveel
d.d. 19 augustus 2002 (die zich over gedaagdes standpunt niet uitlaat)
en van de behandelend revalidatiearts M.C. van Groningen d.d. 18 september 2002 (o.m. inhoudend dat Sharisse
zich - motorisch gezien - vrij goed redt en gebaat is bij eert adequate
stoelzitting).
Gedaagde heeft bij verweerschrift, respectievelijk schrijven van 4 juni
2003 gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit ingenomen
standpunt.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad van 2 juli 2003. Partijen zijn, zoals tevoren door hen
aangekondigd, niet verschenen.
II. MOTIVERING
Gelet op de inhoud van de gedingstukken, daaronder begrepen het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank, legt de
Raad aan zijn oordeelsvorming ten grondslag de in de aangevallen
uitspraak vermelden feiten, regelgeving en standpunten van partijen in
eerste aanleg (waarbij appellanten zijn aangeduid als eisers en gedaagde
als verweerder).
Daarvan wordt hier weergegeven:
"In het verleden zijn door verweerder ingevolge de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) ten behoeve van Sharisse een
autostoeltje alsmede een buggy verstrekt. Tevens is een
leefkilometervergoeding toegekend, en is onlangs ten behoeve van het
vervoer over kleine afstanden een driewielfiets verstrekt. Voor het
onderhouden van sociale contacten en het ondernemen van
gezinsactiviteiten hebben eisers op 17 augustus 1999 bij verweerder in
het kader van de Wvg een aanvraag ingediend om verstrekking van een
bruikleenauto. Met oog op de beoordeling van die aanvraag heeft
verweerder advies gevraagd aan de GGD Regio Achterhoek Een aan deze
dienst verbonden arts is op basis van een door hem ingesteld onderzoek
tot de conclusie gekomen dat Sharisse geen gebruik kan maken van het
openbaar vervoer, maar dat zij m staat is om, gezeten in een rolstoel,
gebruik te maken van het collectieve vervoer ter plaatse, de Mobimax.
Gelet op dit advies heeft verweerder bij besluit van 15 februari 2000 de
gevraagde voorziening afgewezen. Daartegen hebben eisers een
bezwaarschrift ingediend. De gemeentelijke bezwaarcommissie haft
gemeend over te weinig gegevens te beschikken om eer oordal te kunnen
geven en heeft geadviseerd eer second opinion te laten plaatsvinden.
Verweerder heeft vervolgens advies gevraagd aan de GGD Regio Twente. Een
aan deze dienst vetbonden arts is op basis van het door hem verrichte
onderzoek tot de conclusie gekomen dat Sharisse in staat kan worden
geacht onder begeleiding te reizen per individuele taxi, indien zij
beschikt over een stoelverhoger met gordelgeleiding. In beroep hebben
eisers aangevoerd dat zij voor het vervoer van Sharisse zijn aangewezen
op een bruikleenauto, gelet op de bij Sharisse bestaande complexe
problematiek waaronder het snel vermoeid raken, haar epileptisch
activiteit en gedrag.
Blijkens de Verordering voorzieningen gehandicapten 1998 van de gemeente
Borculo kan een gehandicapte voor een bruikleenauto in aanmerking worden
gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of
gebrek het gebruik van een collectief systeem van aanvullend al dan niet
openbaar vervoer onmogelijk maken. Een bruikleenauto wordt, ter
beoordeling van burgemeester en wethouders, alleen verstrekt wanneer de
overige op grond van de verordening te
verstrekken vervoersvoorzieningen niet als de meeste
adequate/goedkoopste voorzieningen kunnen worden aangemerkt.
Eisers hebben ter ondersteuning van hun standpunt gewezen op het feit
dat gezien het rapport van het Regionaal Indicatie Orgaan van 11
december 1998 een voorziening, welke het zitten van Sharisse optimaal
ondersteunt, is geïndiceerd en dat op die grond in het verleden ook een
autostoeltje is verstrekt door verweerder. Het als second opinion
uitgebrachte advies van de GGD Twente dat vervoer per taxi adequaat is
te achten indien een stoelverhoger met gordelgeleiding wordt gebruikt,
getuigt naar het oordeel van eisers van onvoldoende kennis van de
problematiek van Sharisse."
De aanwezige medische en andere gegeven in aanmerking genomen, voegt de
Raad daar aan toe dat Sharisse ten tijde in geding:
- in staat was circa 800 meter, zij het onstabiel en onder begeleiding,
te lopen;
- per wandelwagen of driewielfiets mee kon met (~)uitstapjes in en nabij
haar woonplaats, onder meer naar haar vier grootouders;
- zonder begeleiding per taxibus) in een (ANWB) autostoeltje werd
vervoerd naar een instelling in Enschede (de Cirkelboog en nadien het Roessingh), waar zij
overdag verbleef.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is bij de
aangevallen uitspraak onder meer overwogen:
"De rechtbank ziet echter geen reden genoemd advies van
GGD Twente voor onjuist te houden. In dit verband is van belang dat voor
het gebruik van een stoelverhoger in de taxi door de GGD als voorwaarde
wordt gesteld dat sprake is van begeleiding. Reeds gelet op de leeftijd
van Sharisse zal van begeleiding door (een van) de ouders naar het
oordeel van de rechtbank steeds sprake (moeten) zijn. Noch in het feit
dat Sharisse in de auto vanwege vermoeidheid snel in slaap valt en
alsdan als het ware 'hangt' in de gordel, noch in haar mogelijk
problematisch gedrag, ziet de rechtbank omstandigheden welke niet door
begeleiding van de ouders op adequate wijze m een taxi zouden kunnen
worden ondervangen. Van andere redenen waarom vervoer per taxi niet van
Sharisse dan wel van de ouders zou kunnen worden gevergd, is de
rechtbank evenmin gebleken. Hetgeen de behandelaars van Sharisse,
kinderpsycholoog dus. Van der Pijll in haar brief van 26 oktober 1999,
en kinderneuroloog Rotteveel, in zijn brief van 23 maart 2000, als hun
opvatting te kennen hebben geven, geeft de rechtbank onvoldoende
aanleiding voor een andersluidend oordeel op dit punt. De rechtbank
wijst er tevens op dat een vervoersvoorziening als hier aan de orde
bedoeld is voor het in een aanvaardbare mate kunnen deelnemen aan het
leven van alledag binnen het naaste woon- en leefmilieu. Derhalve kan
voor de beoordeling niet maatgevend zijn de situatie tijdens een
verplaatsing over langere afstanden. Hoewel de rechtbank wil aannemen
dat het ter beschikking hebben van een eigen auto voordelen biedt ten
opzichte van vervoer per taxi, kan in het kader van de toepassing van de
Wvg in redelijkheid worden gevergd dat op dat vlak waar nodig keuzes
worden gemaakt. De rechtbank neemt daarbij tevens in ogenschouw dat het
gezin ten behoeve van Sharisse tevens beschikt over een buggy en een
driewielfiets, waarmee in de directe woon- en leefomgeving uitstapjes
kunnen, en ook feitelijk worden gemaakt.".
In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of de rechtbank
terecht de visie van gedaagde heeft onderschreven dat er voor Sharisse
andere - adequate en tevens goedkopere - vervoersvoorzieningen
voorhanden zijn dan de gevraagde verstrekking van een auto in bruikleen.
Blijvend binnen het van toepassing zijnde toetsingskader bij en
krachtens de Wvg, heeft de Raad in hetgeen in hoger beroep - goeddeels
bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is
aangevoerd, geen grond gevonden om de aangevallen uitspraak voor onjuist
te houden.
Ook de Raad is niet gebleken dat Sharisse, bezien naar objectief
medische maatstaf als vereist bij de toepassing van de Wwg, ten tijde in
geding niet in staat was zich in haar directe leefomgeving te (doen)
verplaatsen per wandelwagen, driewielfiets en - onder begeleiding - per
individuele taxi, met gebruikmaking van een stoelverhoger met
gordelgeleiding. Bovendien kon zij - desgewenst - ook per rolstoeltaxi
worden vervoerd. Dat zij, naar voormelde maatstaf beschouwd, bij
uitsluiting op vervoer per bruikleenauto zou zijn aangewezen, is niet
gebleken.
De Raad heeft in dit verband bijzonder gewicht gehecht aan de
onderzoeksbevindingen van de GGD Regio Achterhoek en de GGD Regio
Twente. Het door die instanties verrichte onderzoek en de daarop
gebaseerde conclusies zijn tot stand gekomen met inachtneming van de
krachtens de Wvg geldende criteria. Aan de hand van die bevindingen is
in beide rapporten geconcludeerd dat in het onderhavige geval cm
goedkopere adequate voorziening dan een bruikleenauto medisch gesproken
mogelijk is.
Het vorengaande mede in aanmerking genomen, ziet de Raad in de door
appellanten in hoger beroep ingezonden - globale - adhesieverklaringen
van de onder I vermelde behandelende artsen geen aanknopingspunt om
anders te oordelen. Zulks te minder nu daarin voorbij wordt gegaan aan
het voor dit geding relevante criterium dat in het kader van de hier van
toepassing zijnde bepalingen bij en krachtens de Wvg slechts aanspraak
bestaat op de goedkoopst adequate voorziening die, naar objectief
medisch maatstaf beschouwd, mogelijk is.
Naar aanleiding van het door appellanten in bezwaar gehouden pleidooi om
"met voorbijgaan aan de regels het bredere belang van het gezin te
laten prevaleren", merkt de Raad op dat vervoersvoorzieningen
krachtens de Wwg op grond van die wet enkel kunnen worden toegekend aan
in de betreffende gemeente woonachtige - individuele - gehandicapten en
strekken tot (niet méér dan) het doen verminderen van hun mobiliteitsbeperkingen in de directe leefomgeving. Daarbij kan de
rechter, anders dan destijds onder de vigeur van het voormalige -
royalere -
voorzieningenstelsel van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, bij zijn
toetsing niet treden in de vraag of geheel of gedeeltelijke afwijzing
van de aanvraag in overeenstemming is met de redelijkheid, bedoeld in
artikel 57, zevende lid (oud) van die wet.
Uit het vorengaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op
grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. R.M. van Male
en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van
S.van der Zee als griffier, en uitgesproken op 13 augustus 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) S. van der Zee.
|
|