|
Uitspraak
02/1128
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 28 december 2000 heeft gedaagde afwijzend
beslist op het verzoek van appellante om haar op grond van het bepaalde
bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een
vervoersvoorziening toe te kennen in de vorm van een tegemoetkoming in
de kosten van aanpassing van een personenauto.
Bij het bestreden besluit van 15 maart 2001 is het bezwaar van
appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 21 december 2001 het beroep
tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is W.A.L. Boetekees, haar echtgenoot, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 13 augustus 2003.
Voor appellante is daar verschenen W.A.L. Boetekees, voornoemd. Gedaagde is daar met bericht niet
verschenen.
Aangezien de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was
geweest is het onderzoek ter zitting geschorst. De behandeling ter
terechtzitting is hervat op 27 augustus 2003. Voor appellante is daar
wederom, daartoe opgeroepen, verschenen W.A.L. Boetekees, voornoemd.
Gedaagde heeft zich daar, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen,
laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente
Tilburg.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende - tussen
partijen niet in geschil zijnde - feiten en omstandigheden.
Appellante, geboren op 25 februari 1944, lijdt aan een progressieve
spieraandoening waardoor zij vrijwel volledig rolstoelgebonden is.
Vervoer is alleen mogelijk door middel van individueel rolstoelvervoer,
met begeleiding. Het vervoer dient halfliggend te geschieden om spasmen
te vermijden.
Appellante en haar echtgenoot hebben op 3 oktober 2000 een optie genomen
op een nieuwe auto. Bij brief van 25 oktober 2000 hebben zij bij
gedaagde een tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van deze auto
aangevraagd. De kosten werden begroot op f 2.200,-- exclusief BTW. Nadat
de oude auto het op 1 november 2000 had begeven hebben zij de nieuwe
vervroegd aangekocht. Op 23 november 2000 hebben zij de gewenste
aanpassing laten aanbrengen. De kosten bedroegen f 2.350,--. De auto is
geleverd op 1 december 2000.
Appellante is op 12 december 2000 thuis bezocht door J. de Bekker, arts
in dienst van Argonaut B.V., de adviesinstantie die gedaagde in zaken
als de onderhavige pleegt te adviseren. Deze arts is tot de conclusie
gekomen dat de aangevraagde auto-aanpassing een adequate oplossing is.
Tevens is hij blijkens het advies van 18 december 2000 tot de volgende
slotsom gekomen: " Een alternatief is individueel
rolstoeltaxivervoer, maar de gevraagde voorziening dunkt mij, gelet op
vervoersbehoeftepatroon economisch voordeliger."
De behandelend ambtenaar van de gemeente heeft in haar rapport van 28
december 2000 het volgende overwogen: "Arts dient zich niet af te
vragen wat economisch voordeliger zou zijn, maar moet nagaan of het
primaat van collectief vervoer toegepast kan worden. (…) Afwijzing
aanvraag autoaanpassing, omdat:
1. Cliënt gebruik kan maken van de voorliggende voorziening individueel
rolstoeltaxivervoer met gratis medische begeleiding. Primaat van het
collectieve vervoer kan dus toegepast worden (VvgT 2000 art. 3.1. onder
a en g, en art 3.2. lid 1a, 2 en 7).
2. Cliënt (partner van cliënt) heeft de kosten reeds gemaakt nog
voordat er een beslissing is genomen op de aanvraag voor de
autoaanpassing waarvoor de kosten reeds zijn gemaakt (VvgT 2000 art
6.2, sub b)."
Vervolgens heeft H.A.M. Mutsaers, hoofd van het bureau Wet voorzieningen
gehandicapten, namens gedaagde het in rubriek I genoemde primaire
besluit van 28 december 2000 genomen. De afwijzing van de aangevraagde
voorziening berust op de grond dat gebruik kan worden gemaakt van
collectief georganiseerd individueel rolstoeltaxivervoer en dat kosten
zijn gemaakt voor een voorziening die voordat op de aanvraag was
beslist, is aangebracht.
Gedaagde heeft het bezwaar van appellante tegen dit besluit bij de
bestreden beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. Gedaagde heeft
daaraan uitsluitend het bepaalde in artikel 6.2 onder b van de
"Verordening Wvg 2000" ten grondslag gelegd, te weten dat:
"burgemeester en wethouders de gevraagde voorziening in ieder geval
weigeren indien de aanvraag een financiële tegemoetkoming betreft in de
kosten die de aanvrager heeft gemaakt voordat op de aanvraag een
beslissing genomen is, tenzij burgemeester en wethouders daar
schriftelijk toestemming voor hebben verleend". Gelet op deze naar
het oordeel van gedaagde imperatieve afwijzingsgrond zijn de bezwaren
van appellante tegen de tweede afwijzingsgrond onbesproken gelaten. Voor
toepassing van de hardheidsclausule is geen aanleiding gevonden.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Naar die uitspraak wordt verwezen.
De Raad dient in dit geding, gezien de stukken en het verhandelde ter
zitting, de vraag te beantwoorden of het besluit van gedaagde om de
aangevraagde voorziening te weigeren in rechte stand kan houden. De Raad
beantwoordt deze vraag ontkennend. Het volgende wordt daartoe overwogen.
Hetgeen bepaald is in de ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, van
de Wvg vastgestelde verordeningen ten aanzien van prematuur aangebrachte
voorzieningen strekt ertoe om bestuursorganen niet in de positie te
brengen dat de noodzaak, adequaatheid en passendheid van aangevraagde
voorzieningen niet meer kan worden beoordeeld, omdat deze reeds
aangebracht zijn voordat op de aanvraag is beslist. Deze ratio in
aanmerking genomen zal een bestuursorgaan zich er in een geval dat
daartoe aanleiding geeft rekenschap van moeten geven of het in
overeenstemming met een redelijke uitleg van het geschreven recht is om
zulk een bepaling aan een aanvrager tegen te werpen wanneer het daarmee
beoogde belang daarmee redelijkerwijs niet kan zijn gediend.
De Raad stelt vast dat gedaagde zich in het onderhavige geval, dat
daartoe naar zijn oordeel alleszins aanleiding geeft, geen rekenschap
heeft gegeven van deze uitleg van het in artikel 6.2 onder b van de
"Verordening Wvg 2000" van de gemeente Tilburg bepaalde. Reeds
om deze reden kan het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde
in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),
welk artikel onder meer voorschrijft dat de beslissing op bezwaar op een
deugdelijke motivering dient te berusten, niet in stand blijven. De Raad
heeft hierbij in aanmerking genomen dat zich in het onderhavige geval
geenszins het geval voordoet waarin de noodzaak, passendheid en
adequaatheid van de aangevraagde voorziening ten tijde van de primaire
besluitvorming niet meer kon worden beoordeeld, aangezien Argonaut B.V.
de noodzaak en passendheid ervan had beoordeeld en, dat gedaan hebbende,
tot een positief advies was gekomen. Voorts heeft de Raad in aanmerking
genomen dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit ook
volledig inzicht bestond in de kosten van de aangevraagde voorziening.
Gedaagde heeft zich voorts geenszins rekenschap gegeven van de vraag of
de aangevraagde voorziening de goedkoopste adequate voorziening is. De
gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting van de Raad erkend dat
aannemelijk is dat deze kosten, afgezet tegen de kosten van collectief
georganiseerd individueel rolstoeltaxivervoer over een periode van 5 tot
7 jaar, beduidend lager zijn.
Ten slotte heeft de Raad moeten vaststellen dat gedaagde deze aspecten
niet kenbaar meegewogen heeft bij de vraag of in het onderhavige geval
met vrucht een beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule.
Gezien het voorafgaande moet naar 's Raads oordeel worden gezegd dat het
bestreden besluit zich niet verdraagt met het beginsel dat een
beslissing zorgvuldig dient te worden voorbereid en dient te berusten op
een zorgvuldige afweging van de wederzijds in aanmerking te nemen
belangen alsmede met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), welk artikel onder meer voorschrijft
dat de beslissing op bezwaar op een deugdelijke motivering dient te
berusten.
Het bovenstaande betekent dat het inleidend beroep gegrond is en dat het
bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen te worden
vernietigd. Gedaagde zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante
dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad acht, nu geen proceskostenvergoeding is gevorderd, geen termen
aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Draagt gedaagde op om binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak
een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen met
inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat gedaagde het door appellante in beroep en in hoger beroep
betaalde griffierecht, in totaal € 109,23, dient te vergoeden;
Wijst de gemeente Tilburg aan als de rechtspersoon die het griffierecht
dient te betalen.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, als leden, in tegenwoordigheid van I.D.
Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|