|
Uitspraak
02/2285
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Anna Paulowna,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op bij beroepschrift van 20 april 2002 aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 18
april 2002 tussen partijen gewezen uitspraak (hierna: de aangevallen
uitspraak).
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 20 augustus 2003,
waar appellante is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door R. Nijenhuis.
II. MOTIVERING
Appellante heeft op 7 september 1999 bij gedaagde, in het kader van de
Wet voorzieningen gehandicapten, een aanvraag ingediend ten behoeve van
de aanpassing of vervanging van haar houten woonkamervloer.
Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 13 januari 2000 afgewezen.
Bij het besluit van 22 mei 2001 (het bestreden besluit) heeft gedaagde
de daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Gedaagde heeft
daarbij, voor zover hier van belang, onder verwijzing naar artikel 1.2,
derde lid, onder c, van de Verordening Voorzieningen Gehandicapten Anna
Paulowna, overwogen dat geen voorziening kan worden toegekend, omdat de
door appellante ondervonden ergonomische belemmeringen voortkomen uit
het gebruikte materiaal, namelijk hout.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen gerichte
beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij de stellingen van
gedaagde onderschreven.
In hoger beroep stelt appellante, kort gezegd, dat niet het gebruikte
materiaal de oorzaak is van haar pijnklachten, maar de constructie van
de woonkamervloer.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad, de inhoud van de gedingstukken
in aanmerking genomen, van oordeel dat de belemmeringen die appellante
van de vloer ondervond, (in overwegende mate) het gevolg zijn van het
gebruikte materiaal. Uit het door appellante ingebrachte rapport van ir.
T. List blijkt dat hout een grotere mate van doorbuiging heeft dan beton
en dat, teneinde voor haar houten vloer een stijfheid te bereiken die
ongeveer gelijk is aan die van beton - bij welke stijfheid appellante
naar haar zeggen geen klachten meer ondervindt -, een veel grotere
hoeveelheid hout moet worden aangebracht dan thans het geval c.q.
gebruikelijk is. Dat het ook bij het gebruik van hout mogelijk is om een
vloer te verkrijgen met een grotere stijfheid dan thans het geval is,
doet aan het voorgaande niet af. Naar het oordeel van de Raad volgt
hieruit, dat de belemmeringen die appellante ondervond primair
voortvloeiden uit de aard van het materiaal, en niet uit de constructie.
De Raad stelt zich dan ook achter de overwegingen van de aangevallen
uitspraak en maakt deze tot de zijne.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|