|
Uitspraak
03/3327
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het bestuur van het gemeenschappelijk orgaan Regionale Organisatie
Gehandicaptenvoorzieningen Nieuwe Waterweg Noord, gevestigd te
Maassluis, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij het bestreden besluit van 2 juli 2002 heeft gedaagde zijn besluit
van 4 maart 2002 om aan appellante op grond van het bepaalde bij en
krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) geen woonvoorziening
te verstrekken in de vorm van een verhuiskostenvergoeding gehandhaafd.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 20 mei 2003 het beroep
tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. G.H.I. Helwig-Voll, advocaat te Barendrecht, op
bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift en desgevraagd stukken ingezonden.
Namens appellante is bij brief van 29 augustus 2003 een reactie
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 2003.
Voor appellante is daar verschenen mr. Helwig-Voll, voornoemd. Gedaagde
heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. I. de Vries en mevrouw
I. de Jonge, beiden werkzaam in dienst van het gemeenschappelijk orgaan.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de weergave van feiten,
omstandigheden en van toepassing zijnde regelgeving in rubriek 2 van de
aangevallen uitspraak.
Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of gedaagde de
door appellante aangevraagde verhuiskostenvergoeding terecht en op
juiste gronden heeft geweigerd.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Het bestreden besluit, inhoudende weigering van de door appellante
aangevraagde verhuiskostenvergoeding, berust op het standpunt dat
appellante op 10 januari 2002 een huurcontract voor een aanleunwoning
heeft getekend voordat op haar aanvraag voor een verhuiskostenvergoeding
was beslist en zonder dat gedaagde daarvoor schriftelijk toestemming had
verleend. Gedaagde beroept zich voor dat standpunt op artikel 2.13,
tweede lid, aanhef en onder g, van de Verordening voorzieningen
gehandicapten Nieuwe Waterweg Noord 2002 (hierna: Verordening).
Ingevolge dit artikel, voor zover hier van belang, wordt geen financiële
tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten verstrekt, indien
de gehandicapte reeds een huurcontract heeft getekend voorafgaande aan
de datum waarop de beschikking op de aanvraag is genomen, tenzij het
bestuursorgaan hiervoor schriftelijk zijn toestemming heeft verleend.
Gedaagde is van oordeel dat dit artikel, gezien zijn imperatieve
bewoordingen, geen ruimte biedt voor een ander standpunt. Hij heeft
daartoe een beroep gedaan op uitspraken van de Raad van 24 augustus
1998, gepubliceerd in JSV 1998/257 en 9 januari 1998, inzake 97/804 WVG.
Gedaagde is van mening dat geen sprake is van bijzondere feiten of
individuele omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven tot het
toepassen van de hardheidsclausule.
De Raad stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting
vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante, geboren in
1912, op 10 januari 2002 een huurcontract voor een aanleunwoning heeft
getekend voordat een beslissing op haar aanvraag voor een
verhuiskostenvergoeding was genomen en zonder dat daarvoor schriftelijk
toestemming was verleend. Evenmin is, gezien het verhandelde ter zitting
van de Raad, in geschil dat appellante ten gevolge van ziekte of gebrek
relevante belemmeringen ondervond bij het gebruik van de toegangstrap
tot de oude woning en dat verhuizing naar een adequate woning
noodzakelijk was.
In 's Raads jurisprudentie is aanvaard, bijvoorbeeld in de uitspraak van
9 januari 1998 inzake 97/804 WVG, dat het een gemeentebestuur vrijstaat
om een imperatief gestelde bepaling als artikel 2.13, tweede lid, aanhef
en onder g van de Verordening in een op de uitvoering van de Wvg
betrekking hebbende verordening op te nemen zonder daarbij in strijd te
komen met regels van geschreven of ongeschreven recht. De Raad heeft
daarbij, zoals overwogen is in de uitspraak van 24 augustus 1998, gepubliceerd in JSV 1998/257, in aanmerking genomen
dat het een te respecteren belang van het bestuursorgaan is dat het zich
in de regel eerst moet kunnen vergewissen of in de te verlaten c.q. de
te betrekken woning al dan niet sprake is van ergonomische
belemmeringen. Hij vindt daarvoor steun in het bepaalde in artikel 3:2
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inhoudende dat het
bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis
dient te vergaren omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.
In laatstgenoemde uitspraak ligt evenwel ook besloten dat toepassing van
een bepaling als - in het onderhavige geval - artikel 2.13, tweede lid,
aanhef en onder g, van de Verordening geen automatisme mag zijn en dat
het bestuursorgaan zich in voorkomend geval ervan dient te vergewissen
of sprake is van bijzondere omstandigheden die aan onverkorte toepassing
ervan in de weg kunnen staan.
Daarvan uitgaande en mede gelet op het in casu reeds uit de op de
totstandkoming van het bestreden besluit betrekking hebbende stukken
naar voren komende, eenvoudig te verifiëren beeld van appellantes
woonproblematiek, is de Raad tot het oordeel gekomen dat gedaagde niet
aannemelijk heeft gemaakt dat zodanige omstandigheden zich in het
onderhavige geval niet voordoen. Gedaagde heeft immers geen betekenis
toegekend aan de bijzondere omstandigheid dat in het onderhavige geval
ten tijde van belang nog heel wel onderzoek kon worden verricht naar de
vraag of, en zo ja, welke ergonomische belemmeringen in de oude,
respectievelijk de nieuwe woning werden, c.q. zouden worden ondervonden,
en aan het gegeven dat de aard van de in de oude woning ondervonden
ergonomische belemmeringen en de noodzaak van verhuizing van appellante
naar een adequate woning tussen partijen niet in geschil is, welke
omstandigheden, in hun onderling verband beschouwd, tot de conclusie
leiden dat het door artikel 2.13, tweede lid, aanhef en onder g, van de
Verordening gewaarborgde belang van het bestuursorgaan in de
omstandigheden van het onderhavige geval redelijkerwijs niet gediend kon
zijn met een strikte toepassing van die bepaling.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met de
artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, en dat dit besluit dient
te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat
besluit in stand is gelaten.
Gedaagde zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante dienen te
nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Deze worden
begroot op € 644,-- voor rechtsbijstand in beroep en € 644,-- voor
rechtsbijstand in hoger beroep.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verstaat dat gedaagde binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak
een nieuw besluit op het bezwaar van appellante neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van proceskosten in beroep en in
hoger beroep tot een totaalbedrag van € 1.288,--;
Gelast dat gedaagde het door appellante in beroep en hoger beroep
gestorte griffierecht ad € 116,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|