|
Uitspraak
02/2711
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 22 november 1999 heeft gedaagde appellante
medegedeeld dat de door haar op grond van het bepaalde bij en krachtens
de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) gevraagde voorziening in de
vorm van een bruikleenauto wordt geweigerd, op de grond dat een
vervoerskostenvergoeding voor haar de goedkoopste adequate voorziening
wordt geacht.
Bij bestreden besluit van 19 september 2000 is het bezwaar van
appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep bij
uitspraak van 15 april 2002 ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. R.J. Kwakkel, advocaat te Diemen, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden. Bij schrijven van 11 juli
2003 heeft gedaagde vragen van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 september 2003.
Appellante is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar raadsman
mr. Kwakkel, voornoemd. Gedaagde heeft zich - zoals tevoren aangekondigd
- niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de voor dit geding van belangzijnde feiten en
omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De door
de rechtbank weergegeven feiten en omstandigheden zijn niet betwist en
vormen ook voor de Raad het uitgangspunt voor zijn beoordeling.
Gelet op hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht en ter zitting
nogmaals is benadrukt, spitst het geding zich thans toe op de vraag of
appellante in staat was individueel per taxi of busje te reizen in
aanwezigheid van een taxichauffeur.
De Raad beantwoordt de in hoger beroep nog in geding zijnde vraag,
evenals de rechtbank in de aangevallen uitspraak en onder verwijzing
naar de gronden van die uitspraak, met de strekking waarvan de Raad zich
in grote lijnen kan verenigen, bevestigend. Het volgende wordt daar nog
aan toegevoegd.
Naar het oordeel van de Raad valt uit de voorhanden zijnde medische en
sociale gegevens, waaronder de rapportages van de arts M. Kets van ZVN
Advies N.V. d.dis. 12 november 1999, 19 juni 2000 en 8 september 2000, en de brieven
van de behandelaars dr. J.K. Boeijinga, internist d.dis. 28 april 2000
en 6 november 2000, en M.H. van Gelderen, psycholoog d.dis. 25 augustus
2000 en 21 november 2000, niet af te leiden dat appellante vanwege haar
incontinentie problematiek niet in een busje of taxi zou kunnen
verblijven als daar een taxichauffeur aanwezig is.
In hetgeen overigens in de gedingstukken en ter zitting is aangevoerd
heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een andersluidend
oordeel te komen.
Uit het voorafgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand
houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|