|
Uitspraak
03/3672
WVG
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlagtwedde,
appellant,
en
[gedaagde 1] en [gedaagde 2], wonende te [woonplaats], gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Op daartoe bij beroepschrift van 24 juli 2003 aangevoerde gronden heeft
drs. W.J.M. Peters, beleidsmedewerker Wvg bij de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, namens appellant hoger beroep ingesteld tegen een
uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 juli 2003. Bij die tussen
partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen, is het
inleidend beroep van gedaagden tegen het bestreden besluit van appellant
van 22 april 2003, waarbij is geweigerd aan gedaagden een mobiele
tillift te verstrekken, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en aan
appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die
uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend d.d. 29 september 2003,
inhoudend onder meer een wijziging van het in een eerdere versie d.d. 22
september 2003 neergelegde standpunt.
De zaak is met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) versneld behandeld. Ter zitting van de Raad,
gehouden op 8 oktober 2003, heeft appellant zich doen vertegenwoordigen
door drs. Peters, voornoemd en L.H. Tuhumury, werkzaam bij de gemeente Vlagtwedde. Van de zijde van
gedaagden is [gedaagde 1] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde I.T.
Martens, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor
rechtsbijstandverzekering, gevestigd te Zoetermeer.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten.
Gedaagden hadden ten tijde in geding voor het vervoer van hun
rolstoelgebonden minderjarige dochter Tessa de beschikking over een
duwrolstoel, een elektrische rolstoel en een auto die aangepast is voor
haar vervoer per (elektrische of handbewogen) rolstoel. Met de
combinatie van die voorzieningen kon Tessa, naar door gedaagden in hoger
beroep is bevestigd, vanuit de ouderlijke woning zittend in haar
rolstoel zonder (transfer)problemen per auto worden vervoerd naar
bestemmingen buitenshuis en vice versa.
Ten tijde in geding was in de woning tevens een door een derde gratis
verstrekte (niet meeneembare) tillift in gebruik, met name als
hulpmiddel bij langdurig zitten. In eerste aanleg heeft appellant zich
bereid getoond om - uit coulance - de onderhoudskosten daarvan te betalen.
Gedaagden hebben bij appellant een mobiele tillift aangevraagd, bestemd
om Tessa bij bezoek aan familie e.d., na aankomst in de betreffende
woning vanuit haar rolstoel transfers te kunnen laten maken als dat
nodig is voor haar verzorging ter plekke.
Bij het bestreden besluit heeft appellant zijn eerdere afwijzing van die
aanvraag gehandhaafd.
In hoger beroep spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag
of appellant het verzoek van gedaagden om een mobiele tillift terecht
niet vatbaar acht voor toewijzing bij wijze van vervoersvoorziening in
de zin van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg).
Gelet op de bij de Wvg terzake gegeven regeling, met inbegrip van de in
artikel 1, eerste lid, onder d vermelde omschrijving van het begrip
'vervoersvoorziening', te weten een voorziening die betrekking heeft op
'vervoer buitenshuis', beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.
In het onderhavige geval staat vast dat de aangevraagde mobiele tillift
niet nodig is voor het opheffen of verminderen van door Tessa's handicap
veroorzaakte beperkingen op het gebied van het zich buiten de eigen
woning verplaatsen. Indien gebruik wordt gemaakt van de aangepaste auto
kan Tessa immers zittend in een rolstoel rechtstreeks vanuit de woning
in die auto worden geplaatst en vervolgens zo worden vervoerd naar de
plek van bestemming. Aldaar aangekomen kan zij in haar (handbewogen of
elektrische) rolstoel het betreffende pand binnengaan en/of zich in de
directe omgeving verder (doen) verplaatsen.
De betreffende onderdelen van artikel 1, eerste lid, van de Wvg bevatten
ook overigens een strakke omlijning van de tot de zorgplicht van de
gemeenten behorende, onderling te onderscheiden, specifieke
voorzieningen op het gebied van wonen, vervoer en rolstoelen. Gelet
daarop kan de gevraagde mobiele tillift naar zijn aard niet worden
aangemerkt als een rolstoel en - nu het niet gaat om gebruik in de eigen
woning - evenmin als een woonvoorziening. Voorts mist de tillift, naar
hiervoor is overwogen, de kenmerkende hoedanigheid van een
vervoersvoorziening als bedoeld in de Wvg. In het licht van voormelde
omlijning is er in casu ook anderszins geen relevant verband tussen het
vervoer buitenshuis en het beoogde gebruik op de plaats van bestemming
na afloop van dat vervoer. In feite is het onderhavige hulpmiddel
bestemd voor verzorgingsdoeleinden (elders dan in de eigen woning
respectievelijk tijdens vervoer in de auto) die niet onder de in de Wvg
geregelde voorzieningen vallen.
Vanwege gedaagden is bepleit om via een ruime uitleg van het woord 'bij'
in onderdeel d van artikel 1, eerste lid van de Wvg ook onder die
bepaling begrepen te achten (per auto meeneembare) hulpmiddelen die op
zich zelf, gelet op een daarvoor reeds verstrekte adequate
vervoersvoorziening, voor vervoer buitenshuis niet nodig zijn, doch die
- met het oog op de verdere deelneming aan het leven van alledag op of
vanuit de plek van aankomst - aan die reeds aanwezige
vervoersvoorziening meerwaarde (kunnen) geven.
Naar in het eerder overwogene reeds ligt besloten strookt een dergelijke
extensieve uitleg niet met de strekking van de hiervoor vermelde
omschrijving in de Wvg van (de kenmerkende hoedanigheid van) het begrip
vervoersvoorziening.
Voorts heeft de Raad reeds eerder (bij uitspraak van 12 juni 1998, JSV
1998/187) als zijn oordeel te kennen gegeven dat een gemeentebestuur in
het kader van de Wvg in beginsel niet gehouden is om - op zich zelf niet
noodzakelijke - aanvullende voorzieningen te verstrekken ter
"optimalisering" van een eerder verleende adequate
vervoersvoorziening.
De door gedaagden voorgestane uitleg zou bovendien niet alleen tot
vervaging leiden van de bij artikel 1 van de Wvg vastgestelde omlijning
van de daar vermelde voorzieningen, maar in gevallen als het onderhavige
ook tot mogelijke doorkruising van de naar huidig recht bestaande
afbakening tussen de (wat uitvoering en normering betreft van elkaar
gescheiden) terreinen van de voorzieningen in de zin van de Wvg
respectievelijk de wettelijke zorgverzekeringen en de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten.
Bij deze stand van zaken is het primair aan de wetgever om - desgeraden
- aanwezig geachte knelpunten te verhelpen door wetswijziging via de
daarvoor voorgeschreven weg.
Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aan gedaagden
tegengeworpen grenzen in het kader van de Wvg mede in aanmerking
genomen, is de Raad voorts niet gebleken dat de in het bestreden besluit
vervatte afwijzing anderszins in strijd komt met enige in het
onderhavige geval van toepassing zijnde rechtsnorm.
Naar in het zojuist overwogene mede besloten ligt heeft de Raad in
hetgeen namens gedaagden (voorts), goeddeels bij wijze van herhaling van
het gestelde in eerste aanleg, naar voren is gebracht evenmin een
doorslaggevend aanknopingspunt gevonden om in andere zin te oordelen.
Uit het vorengaande volgt dat het hoger beroep doel treft en dat beslist
moet worden als hierna onder III wordt aangegeven.
De Raad acht - tenslotte - geen termen aanwezig voor een
proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I.'t Hooft als voorzitter, mr. R.M. van Male en
mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M.
Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19
november 2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|