|
Uitspraak
03/3162
WVG, 03/3163 WVG, 03/3164 WVG, 03/3165 WVG en 03/4400 WVG
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen,
appellant,
en
[gedaagde 1], wonende te [woonplaats 1], gedaagde 1,
[gedaagde 2], wonende te [woonplaats 2], gedaagde 2,
[gedaagde 3], wonende te [woonplaats 3], gedaagde 3,
[gedaagde 4], wonende te [woonplaats 4], gedaagde 4,
gezamenlijk aangeduid als gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
1. Bij besluit van 4 december 2002 heeft appellant het bezwaar van
gedaagde 1 tegen het besluit van 21 augustus 2002 ongegrond verklaard en
laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de afwijzing van het
verzoek om een individuele vervoersvoorziening. Bij het bestreden
besluit van 13 januari 2003 heeft appellant een nieuw besluit op bezwaar
genomen, inhoudende de toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm
van deelname aan het collectief vervoer, alsmede een financiële
tegemoetkoming van € 56,25 (in plaats van een scootmobiel). Bij dat
besluit heeft appellant opnieuw geweigerd gedaagde 1 in aanmerking te
brengen voor een individuele vervoerskostenvergoeding (gedingnummers
03/3162 en 03/3163 WVG).
2. Bij het bestreden besluit van 22 augustus 2002 heeft appellant
beslist op het bezwaar van gedaagde 2 tegen het besluit van appellant
van 7 januari 2002. Gedaagde 2 is bij het bestreden besluit een
vervoersvoorziening toegekend in de vorm van deelname aan het collectief
vervoer (met aantekening individueel vervoer) alsmede een
vervoersvoorziening voor de zeer korte afstand (naar keuze: een
scootmobiel of met ingang van 30 oktober 2001 een financiële
tegemoetkoming van € 56,25 per kwartaal). Bij dat besluit heeft
appellant geweigerd gedaagde 2 in aanmerking te brengen voor een
(verdergaande) individuele vervoerskostenvergoeding (gedingnr. 03/3164
WVG).
3. Bij besluit van 5 november 2002 heeft appellant geweigerd gedaagde 3
in aanmerking te brengen voor een individuele vervoerskostenvergoeding,
op de grond dat de toegekende vervoersvoorziening (collectief vervoer
plus een scootmobiel) adequaat wordt geacht (gedingnr. 03/3165 WVG). Het
tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 31 december 2002 ongegrond verklaard.
4. Bij het bestreden besluit van 8 mei 2003 heeft appellant de bezwaren
van gedaagde 4 tegen het besluit van 17 maart 2003 ongegrond verklaard
en dat besluit gehandhaafd, inhoudende de weigering om hem in aanmerking
te brengen voor een individuele vervoerskostenvergoeding, op de grond
dat het collectief vervoer een adequate voorziening voor hem is (gedingnr.
03/4400 WVG).
5. De bestreden besluiten zijn alle genomen op grond van het bij en
krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) bepaalde, daaronder
begrepen de bepalingen van de door het gemeentebestuur van Emmen
vastgestelde Verordening voorzieningen gehandicapten (Vvg).
6. De rechtbank Assen heeft bij drie uitspraken van 13 mei 2003 en één
uitspraak van 5 augustus 2003 de door gedaagden 1, 2, 3 en 4 tegen de
bestreden besluiten (van respectievelijk 13 januari 2003, 22 augustus
2002, 31 december 2002 en 8 mei 2003) ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten
vernietigd, voor zover daarbij de aanvraag om toekenning van een
individuele vervoersvoorziening (anders dan voor de korte afstand) is
afgewezen.
7. Appellant heeft op bij beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde
gronden tegen die uitspraken hoger beroep ingesteld.
8. Namens gedaagden heeft drs. J.G.A. Janssen, adviseur gehandicapten,
in alle zaken een verweerschrift ingediend.
9. Namens appellant heeft drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten (VNG), bij faxberichten van 19 september 2003
en 23 september 2003 nog een aantal vragen beantwoord.
10. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 24
september 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door
drs. W.J.M. Peters, voornoemd, en M.P. Rohrich, ambtenaar bij de
gemeente Emmen. Namens gedaagden is drs. J.G.A. Janssen, voornoemd,
verschenen. Gedaagden 2 en 4 zijn in persoon verschenen.
II. MOTIVERING
1. Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten en
regelgeving verwijst de Raad naar de daarop betrekking hebbende
overwegingen in rubriek II van de aangevallen uitspraken. Hieraan voegt
de Raad nog toe, dat op 26 maart 2002 door de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid (hierna: de Minister van SZW) en de voorzitters van
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Chronisch zieken en
Gehandicaptenraad Nederland, het Coördinatieorgaan Samenwerkende
Ouderenorganisaties, en de Federatie van Ouderverenigingen een
verklaring, aangeduid als "Landelijk Protocol Wet voorzieningen
gehandicapten" (hierna: het Protocol) is ondertekend. Dit document
bevat aanbevelingen met betrekking tot de uitvoering van de Wvg, onder
meer wat betreft de aspecten doelmatigheid en cliëntgerichtheid. Voor
de inhoud van het Protocol volstaat de Raad hier met een verwijzing naar
het - bij partijen bekende - document.
2. Aan de bestreden besluiten ligt ten grondslag dat appellant bij de
toekenning van vervoersvoorzieningen ingevolge de Wvg met toepassing van
de daarop betrekking hebbende bepalingen van de Vvg het primaat heeft
gelegd bij het collectief vervoer en dat er geen medische of sociale
omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan (behoudens met betrekking
tot het korte afstandsvervoer) een individuele vervoersvoorziening zou
moeten worden toegekend.
3. In bezwaar en beroep hebben gedaagden aangevoerd dat de
besluitvorming geen recht doet aan het Protocol, omdat appellant voorbij
is gegaan aan hun omstandigheden en hun voorkeur voor een financiële
tegemoetkoming. Daarnaast hebben de gedaagden 1 en 2 gewezen op
beletselen van medische aard die aan het gebruik van het collectief
vervoer in de weg staan.
4. Appellant heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het
Protocol slechts een beleidsadvies is en dat het gemeenten derhalve vrij
staat dit advies naast zich neer te leggen.
5.1. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank Assen de beroepen
gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd. Daartoe heeft
zij in de gedingen tussen appellant en de gedaagden 1, 2 en 3 het
volgende (waarbij appellant is aangeduid als verweerder en de
respectieve gedaagden als eiser/eiseres) overwogen:
"Inherent aan de uitleg van een wettelijke norm door de rechter is
dat niet voorbij gegaan kan worden aan maatschappelijke ontwikkelingen;
algemene maatschappelijke normen en waarden zijn immers mede bepalend
voor de invulling en uitleg van wettelijke normen. In het onderhavige
geval dient het Wvg-Protocol, naar het oordeel van de rechtbank, gelet
op de thans bestaande consensus tussen overheid en relevante
belangengroeperingen, en mede gelet op het feit dat een wetswijziging
tot uitbreiding van artikel 3 Wvg - ter fine het Protocol een wettelijke
basis te verschaffen - in voorbereiding is, gezien te worden als de ten
tijde hier van belang geldende normstelling voor de invulling van het
begrip 'verantwoorde voorzieningen' en derhalve de grondslag voor de
objectiefrechtelijke invulling van dit begrip. Eén en ander leidt ertoe
dat de grond van de in de Vvg genoemde criteria verstrekte voorzieningen
thans niet langer zonder meer aangemerkt kunnen worden als 'verantwoorde
voorzieningen' in de zin van de Wvg.
Het stelsel van toekenning van voorzieningen zoals neergelegd in de Vvg
en verder uitgewerkt in het Verstrekkingenbeleid Wvg van de gemeente
Emmen is, voor zover daarin voor wat betreft de toe te kennen
vervoersvoorziening nog steeds wordt uitgegaan van het primaat van het
collectief vervoer zonder in relevante mate rekening te houden met de
wensen van de cliënt, in zoverre derhalve in strijd met de Wvg. De aan
eiser toegekende voorziening voor collectief vervoer kan, gelet op het
Wvg-Protocol, om die reden niet zonder meer als een verantwoorde
voorziening in de zin van de Wvg aangemerkt worden."
Met betrekking tot gedaagde 2 heeft de rechtbank daarnaast nog het
volgende overwogen:
"Het Wvg-Protocol vermeldt expliciet dat alle omstandigheden van
de cliënt die relevant kunnen zijn voor de aanvraag bij de beoordeling
van die aanvraag betrokken dienen te worden. Voorts dient verweerder op
grond van zijn eigen beleid - Verstrekkingenbeleid Wvg gemeente Emmen - bij de beoordeling van een
aanvraag voor een vervoersvoorziening de afweging te maken of het
autogebruik gegenereerd wordt door de activiteit of door de handicap. Is
dat laatste het geval, dan dient verweerder voorts af te wegen wat de
mate van ingrijpen in het sociale leven van betrokkene is wanneer deze
niet meer kan beschikken over de auto en zich in principe met de
Wvg-taxi moet verplaatsen. Nu uit niets blijkt dat verweerder een
dergelijke afweging heeft gemaakt is de rechtbank van oordeel dat het
bestreden besluit op dit punt niet voldoende gemotiveerd is."
5.2. In het geding tussen appellant en gedaagde 4 heeft de rechtbank
overwogen dat de in het Protocol vastgestelde normen thans dienen te
worden beschouwd als een juiste invulling van het begrip 'verantwoorde
voorziening' in de Wvg. Daaraan heeft zij toegevoegd, dat het Protocol
niet tot een min of meer onbeperkte keuzevrijheid voor de aanvrager
leidt, maar dat er sprake moet zijn van maatwerk. Het Protocol
onderschrijft naar het oordeel van de rechtbank het door appellant
gekozen uitgangspunt van de goedkoopste adequate voorziening. Nu daarbij
in het Protocol is vermeld dat bij voorkeur van een belanghebbende voor
een duurdere voorziening in beginsel een financiële tegemoetkoming ter
waarde van de goedkoopste adequate voorziening toegekend moet worden en
de Vvg deze laatste mogelijkheid niet biedt, leidt onverkorte toepassing
van de Vvg volgens de rechtbank in beginsel tot strijd met artikel 3 van
de Wvg.
5.3. In alle hier aan de orde zijnde gedingen heeft de rechtbank bepaald
dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de
in het Protocol neergelegde normen voor de invulling van het begrip
'verantwoorde voorzieningen'.
6.1. In hoger beroep heeft appellant met een beroep op kamerstukken met
betrekking tot het wetsontwerp tot aanpassing van artikel 3 van de Wvg
(Tweede Kamer 28348, nrs. 1 tot en met 5) zijn eerder ingenomen
standpunt, dat het Protocol slechts een advies is van een aantal
partijen die het Protocol hebben ondertekend, herhaald. Volgens
appellant staat het de gemeenten vrij het Protocol al dan niet geheel of
ten dele te implementeren.
6.2. Gedaagden onderschrijven de aangevallen uitspraken en hebben voorts
gemotiveerd gepersisteerd bij hun in eerste aanleg ingenomen
standpunten. Gedaagde 1 heeft daarbij erkend dat zij niet kan aantonen
dat ze medisch gezien geen gebruik kan maken van het collectief vervoer.
7. In deze gedingen is op de eerste plaats de vraag aan de orde welke
betekenis ten tijde van de bestreden besluiten moet worden toegekend aan
het Protocol bij de besluitvorming over toekenning van (vervoers)voorzieningen
ingevolge de Wvg.
De Raad overweegt daarover het volgende.
7.1. De Raad stelt voorop dat in het Protocol geen algemeen verbindende
voorschriften zijn neergelegd, reeds niet omdat het niet is gebaseerd op
enige regelgevende bevoegdheid van één of meer van de ondertekenende
partijen.
7.2. Evenmin zijn in het Protocol algemene regels neergelegd die
gekwalificeerd moeten worden als beleidsregels in de zin van artikel
1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vastgesteld
door een van de ondertekenende partijen, aangezien in het kader van de
Wvg geen van hen beschikt over een bevoegdheid die door middel van deze
regels kan worden ingevuld. De Raad wijst er in dit verband op dat de
wetgever bij de Wvg de bevoegdheid tot de verlening van voorzieningen en
het daartoe bij verordening vaststellen van regels uitdrukkelijk heeft
opgedragen aan de gemeentebesturen.
7.3. De Raad stelt ten slotte vast dat de bestuursorganen van de
gemeente Emmen, ten tijde in geding, de inhoud van het Protocol niet
geheel of ten dele hadden geïmplementeerd dan wel als beleid hadden
aanvaard.
7.4. De Raad ziet, anders dan de rechtbank, in het enkele feit dat
voormelde partijen meergenoemde verklaring, aangeduid als Protocol,
hebben ondertekend, onvoldoende aanknopingspunt om zijn vaste
jurisprudentie met betrekking tot de in de artikelen 2, 3, 5 en 6 van de
Wvg aan de gemeentebesturen opgedragen taak om met inachtneming van de
bij en krachtens die wet bij verordening vastgestelde regels aan in de
gemeente wonende gehandicapten van verantwoorde voorzieningen te
verstrekken, te verlaten.
Hij heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.
7.4.1. Uit de parlementaire stukken met betrekking tot de wijziging van
de Wvg in verband met het tot stand brengen van de mogelijkheid om met
betrekking tot de verstrekking van verantwoorde voorzieningen regels te
stellen (Tweede Kamer 28 348, o.a. nr. 5) blijkt dat de minister van SZW
er uitdrukkelijk voor gekozen heeft om het Protocol niet, althans niet
onmiddellijk via een algemene maatregel van bestuur (AMvB) rechtskracht
te verlenen vanwege het bezwaar van de VNG, dat een AMvB met de inhoud
van het Protocol het in de Wvg neergelegde decentrale karakter van die
wet te zeer zou aantasten. Ook de Raad van State heeft in zijn advies op
dit gevaar gewezen (Tweede Kamer 28 348, nr. B). In de memorie van
toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag staat voorts
vermeld dat het tot stand brengen van een algemene maatregel van bestuur
eerst dan aan de orde is, indien het Protocol niet adequaat wordt
nageleefd. "Dan moet de algemene maatregel van bestuur rechtskracht
geven aan het Protocol" (Tweede Kamer 28 348, nr. 3, blz. 2).
Blijkens de door de VNG aan haar leden toegezonden ledenbrief van 4
april 2003 zijn de gemeenten volgens de VNG vrij om al dan niet te
kiezen voor verwerking van (delen van) het Protocol in hun beleid. De
Raad leidt uit het voorgaande af (1) dat twee bij het Protocol betrokken
actoren, waaronder de minister van SZW, er blijk van hebben gegeven dat,
zolang er geen AMvB ter zake is vastgesteld, de gewenste toepassing van
het Protocol door de gemeenten enkel op basis van vrijwilligheid kan
plaatsvinden en (2) dat het dwingend opleggen van het Protocol een meer
principiële discussie vergt, onder meer in het licht van het decentrale
karakter van de Wvg. Het eerder overwogene mede in aanmerking genomen
staan beide aspecten, in onderling verband bezien, er aan in de weg om
aan de inhoud van het Protocol langs de weg van wetsuitleg meer
betekenis toe te kennen dan als hierna verwoord is onder overweging 7.5.
7.4.2. Daartoe is te minder aanleiding, nu de vaste kamercommissie voor
Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 4 november 2003 de behandeling van
bovengenoemd wetsontwerp van de agenda heeft afgevoerd en nu uit de
brief van de betrokken minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
van 4 september 2003 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Tweede Kamer
28 348, nr. 10) onder meer blijkt dat de inhoud van het Protocol door
middel van toezending van een ambtelijke discussienota aan verschillende
gebruikersorganisaties weer ter discussie is gesteld.
7.4.3. De Raad acht verder van belang dat het Protocol zich, althans op
een aantal onderdelen, gelet op zijn aard en de vage bewoordingen ervan,
niet voor de door gedaagden voorgestane rechtstreekse toepassing door de
rechter leent. Daarvoor is nadere concretisering in een gemeentelijke
verordening of een ter invulling daarvan vastgestelde beleidsregel
noodzakelijk. Bovendien is onduidelijk hoe de verschillende, soms
tegenstrijdige uitgangspunten die in het Protocol zijn opgenomen, zich
met elkaar verhouden, zoals het uitgangspunt om uit te gaan van de
voorkeuren en keuzes van de betrokkene naast het vereiste van de
goedkoopste adequate voorziening. Ter zitting werd door de gemachtigden
van de verschillende partijen nog eens benadrukt dat het Protocol de
neerslag bevat van een compromis tussen de diverse actoren, elk met hun
eigen belangen en uiteenlopende verwachtingen, hetgeen de consistentie
niet ten goede is gekomen.
7.4.4. De strekking van het Protocol lijkt op een aantal punten een
breuk in te houden met de uit constante jurisprudentie van de Raad
blijkende vaste uitleg omtrent de bij artikel 2 juncto artikel 3 van de
Wvg gedecentraliseerde zorgplicht ter zake van de verlening van
verantwoorde voorzieningen en de daarbij aan de gemeentebesturen gelaten
beoordelingsvrijheid.
Het onder 7.4.1. tot en met 7.4.3. overwogene mede in aanmerking
genomen, is de Raad van oordeel dat het bewerkstelligen van een zodanige
wijziging van die bij de Wvg aan de gemeentebesturen opgedragen taak,
als door gedaagden met een beroep op het Protocol bepleit, onder meer
gelet op de daarbij uit een oogpunt van evenwichtige beleidsvorming en
financiering te maken keuzes, veeleer op de weg ligt van de wetgever dan
op die van de rechter. De Raad merkt daarbij op dat de rechter voor zulk
een wijziging slechts steun kan vinden in voormelde, door de Minister
van SZW en een aantal belangengroeperingen gemaakte afspraken, die als
zodanig rechtens niet binden, die niet altijd eenduidig en consistent
zijn en die thans inhoudelijk weer ter discussie staan. Terzijde tekent
de Raad nog aan dat, anders dan onder de vigeur van artikel 57, zevende
lid, (oud) van de AAW het geval was, in de Wvg aan de rechter niet de
bevoegdheid is verleend te beoordelen of (gehele of gedeeltelijke)
afwijzing van verzochte voorzieningen in overeenstemming is met de
redelijkheid.
7.5. Op grond van voorgaande overwegingen kan de Raad het Protocol niet
anders duiden dan als een convenant tussen de minister van SZW en een
aantal belangengroeperingen, waarin (niet meer dan) de (toenmalige)
politieke intentie is neergelegd om de gemeentebesturen met betrekking
tot de uitvoering van de Wvg ertoe te bewegen bestaande - duidelijke -
prioriteiten in een andere richting bij te gaan stellen. De VNG heeft
zich daarbij verplicht zich in te spannen om voor die beleidsrichting
draagvlak bij haar leden te bevorderen. De gemeenten zijn echter in
beginsel vrij om het Protocol al dan niet, geheel of ten dele, in de op
de Wvg gebaseerde verordeningen of in het daarop gebaseerde beleid op te
nemen en uit te werken. Nu het gemeentebestuur van Emmen ten tijde hier
van belang de in dit geding van belang zijnde onderdelen van het
Protocol niet in de Vvg of in zijn voorzieningenbeleid had opgenomen en
uitgewerkt, kan de Raad de bestreden besluiten niet aan het Protocol
toetsen.
8. Vervolgens is de vraag aan de orde of appellant aan gedaagden bij de
bestreden besluiten verantwoorde vervoersvoorzieningen heeft toegekend.
8.1. Volgens vaste jurisprudentie vloeit uit de in artikel 3 juncto
artikel 2 van de Wvg aan de gemeentebesturen opgedragen plicht om
verantwoorde voorzieningen aan te bieden, voort dat - voor zover het om
vervoer gaat - zodanige voorzieningen moeten worden geboden dat de ter
plaatse wonende gehandicapten ten minste in staat worden gesteld om in
hun directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten
te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag.
8.2. Het geding spitst zich met name toe op de vraag of het collectief
vervoer (voor gedaagden 1, 2 en 3: in combinatie met de hen toegekende
vervoersvoorziening voor de korte afstand) als een verantwoorde
voorziening kan worden aangemerkt.
8.3.1. [gedingnrs. 03/3162, 03/3163, 03/3165 en 03/4400 WVG]
Niet betwist is dat de gedaagden 1, 3 en 4 medisch gezien in staat zijn
gebruik te maken van het collectief vervoer en ook de Raad is niet van
het tegendeel gebleken.
8.3.2. [gedingnr. 03/3164 WVG]
8.3.2.1. Gedaagde 2 heeft aangevoerd dat hij in zijn eigen auto een
betere zit heeft dan in de taxi, dat zijn rijstijl en die van zijn vrouw
zijn ingesteld om hem zo comfortabel mogelijk te vervoeren, dat hij bij
verergering van de door hem gestelde pijn met de auto meteen de
terugreis kan aanvaarden of een tijd in de auto kan gaan liggen, en dat
het reizen met Traxx alleen maar met veel pijn en moeite mogelijk is.
8.3.2.2. Appellant heeft zich bij zijn besluitvorming gebaseerd op een
tweetal adviezen van de GGD van 10 december 2001 en 20 juni 2002. In die
adviezen is geen steun te vinden voor de stelling van gedaagde dat hij
om medische redenen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer.
Nu hij zijn bezwaren niet medisch heeft onderbouwd, hij in het
collectief vervoer individueel vervoerd kan worden en voorts is gebleken
dat hij in zijn eigen auto niet over een speciaal aangepaste autostoel
beschikt, houdt de Raad het er voor dat gedaagde 2 medisch gezien (op
individuele basis) gebruik kan maken van het collectief vervoer. Het
reizen van en naar bovenregionale bestemmingen valt niet onder de
gemeentelijke Wvg-zorgplicht behoudens in het geval van dreigend sociaal
isolement, waarvan in dit geval niet is gebleken. Voorzover het beroep
betrekking heeft op vervoer met het Traxx-systeem kan dit reeds hierom
geen doel treffen.
8.4.1. [gedingnrs. 03/3162, 03/3163, 03/3165 en 03/4400 WVG]
De Raad is in deze gedingen ook anderszins niet gebleken van feiten of
omstandigheden op grond waarvan gezegd zou moeten worden dat de geboden
voorzieningen geen verantwoorde voorzieningen zijn.
8.4.2. [gedingnr. 03/3164 WVG]
8.4.2.1. Gedaagde 2 heeft in dat kader een beroep gedaan op het
vrijwilligerswerk dat hij verricht.
8.4.2.2. Appellant heeft daartegen aangevoerd dat een
vervoersbehoefteonderzoek is verricht, maar dat dit geen aanleiding
heeft gegeven om een uitzondering op het primaat van het collectief
vervoer te maken. Ter zitting, mede met verwijzing naar de betreffende
gedingstukken, is verduidelijkt dat uit dat onderzoek is gebleken dat
het merendeel van de vrijwilligerswerkzaamheden in de omgeving van de
woning van gedaagde 2 plaatsvinden.
8.4.2.3. Niet weersproken is dat het merendeel van de vervoersbewegingen
in het kader van het vrijwilligerswerk naar bestemmingen in de nabije
woonomgeving van gedaagde 2 plaatsvindt. Deze verplaatsingen vallen
onder het bereik van het korte afstandsvervoer, waarvoor een financiële
tegemoetkoming (in plaats van een scootmobiel) is toegekend. Gedaagde
kan derhalve aan een deel van zijn vervoersbehoefte in het kader van
vrijwilligerswerk voldoen door met zijn auto te reizen. Nu verder niet
is gesteld dat het bezwaarlijk is om - incidentele uitzonderingen
daargelaten - de overige bestemmingen met het toegekende collectief
vervoer te bereiken, is de Raad ook in het geval van gedaagde 2 tot de
conclusie gekomen dat de toegekende combinatie van voorzieningen een
verantwoorde voorziening is in de zin van de Wvg.
9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt, dat de
aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd en dat de beroepen
ongegrond dienen te worden verklaard.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken;
Verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 november
2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R. Rijnen.
|
|