|
Uitspraak
02/1811
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft bij aanvraag van 26 juni 2000 verzocht hem ingevolge de
Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening te
verstrekken in de vorm van deelname aan het collectief vervoer.
Bij besluit op bezwaar van 25 januari 2001 (het bestreden besluit) heeft
gedaagde, voorzover thans van belang, in het spoor van het door de
betrokken arts van de GGD (J. Dekker), uitgebrachte advies van 9 januari
2001, vastgehouden aan zijn standpunt dat ten aanzien van appellant niet
is gebleken van een medische indicatie in de zin van de van toepassing
zijnde bepalingen bij en krachtens de Wvg.
De rechtbank Assen heeft bij de aangevallen uitspraak van 7 februari
2002, reg.nr. 01/152 WVG, het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Blijkens die uitspraak heeft de rechtbank haar oordeel met name
gebaseerd op de in het kader van deze procedure op haar instigatie
uitgebrachte rapporten van de revalidatiearts W.C.G. Blanken, d.d. 15
augustus 2001 en de zenuwarts J.M.E. van Zandvoort, d.d. 25 oktober 2001. Eerstgenoemde deskundige
heeft bij zijn onderzoek vastgesteld dat er geen sprake is van een
somatische aandoening. Voorts acht deze deskundige het medisch gezien
gecontra-indiceerd dat een vervoersvoorziening wordt verstrekt.
De zenuwarts Van Zandvoort heeft op basis van zijn onderzoek
geconcludeerd dat er geen psychiatrisch beletsel is voor appellant om
per openbaar vervoer te reizen en dat verstrekking van een
vervoersvoorziening zal leiden tot verergering van de aan het gedrag van
appellant ten grondslag liggende problematiek.
Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, bij
brief van 3 november 2003 een beslissing toe- gezonden van de Raad van
bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) van
30 september 2003 betreffende voortzetting van een aan appellant
toegekende voorziening terzake van schoolvervoer per rolstoeltaxi.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 november 2003, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer, en gedaagde door mr. M.P. Rohrich, werkzaam bij de gemeente
Emmen.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor de van belang zijnde feiten en de in dit geding
van toepassing zijnde bepalingen bij en krachtens de Wvg naar de
aangevallen uitspraak. Daaraan voegt de Raad toe dat bij het vaststellen
of een gehandicapte in een bepaald geval al dan niet medisch geοndiceerd
is als ingevolge die bepalingen vereist, uitsluitend bepalend is of
betrokkene, naar objectief medische maatstaf beschouwd, door aantoonbare
beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek langdurig op de gevraagde
voorziening is aangewezen.
De rechtbank heeft de ongegrondverklaring van het beroep in het
bijzonder gebaseerd op de op haar verzoek uitgebrachte rapporten van de
revalidatiearts W.C.G. Blanken van 15 augustus 2001 en de zenuwarts J.M.E.
van Zandvoort van 25 oktober 2001. Blanken heeft bij zijn onderzoek
vastgesteld dat er geen sprake is van een lichamelijke aandoening.
Voorts acht hij het medisch gezien gecontra-indiceerd dat een
vervoersvoorziening wordt verstrekt. Van Zandvoort heeft op basis van
zijn onderzoek geconcludeerd dat er geen psychiatrisch beletsel is voor
appellant om per openbaar vervoer te reizen en dat verstrekking van een
vervoersvoorziening zal leiden tot verergering van de aan het gedrag van
appellant ten grondslag liggende problematiek. Op grond hiervan is de
rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellant in het kader van de Wvg
niet was aangewezen op collectief vervoer.
Gelet op de zich bij de gedingstukken bevindende medische en andere
gegevens onderschrijft de Raad de strekking van dit oordeel van de
rechtbank. Uit de eensluidende en met inachtneming van de in het kader
van de Wvg geldende criteria grondig onderbouwde rapporten van de beide
door de rechtbank geraadpleegde onafhankelijke deskundigen blijkt
eenduidig dat gedaagde de bij appellant naar objectief medische maatstaf
aanwezig te achten resterende mobiliteit niet heeft overschat. Deze
conclusie strookt ook met de onderzoeksbevindingen van de betrokken arts
van de GGD, die een advies heeft uitgebracht dat specifiek is
toegespitst op de onderhavige, in het kader van de Wvg gedane aanvraag.
Blijvend binnen het kader van de in dit geding van toepassing zijnde
bepalingen bij en krachtens de Wvg ziet de Raad, het voorgaande in
aanmerking genomen, geen aanknopingspunt om te oordelen dat appellant
voor zijn verplaatsingen in zijn naaste leefomgeving - naar objectief
medische maatstaf beschouwd - was aangewezen op collectief vervoer.
Hetgeen in hoger beroep goeddeels bij wijze van herhaling van het
gestelde in eerste aanleg is aangevoerd, treft geen doel. De onder I
vermelde, van de zijde van appellant overgelegde beslissing van het UWV
betreft een voorziening voor schoolvervoer in het kader van andere dan
de in dit geding van toepassing zijnde bepalingen. Bovendien blijkt niet
dat bij de totstandkoming van die beslissing rekening is gehouden met de
in geheel andere richting wijzende bevindingen van de door de rechtbank
geraadpleegde onafhankelijke deskundigen. Ook overigens zijn vanwege
appellant geen op de hier ingevolge de Wvg van toepassing zijnde
criteria toegespitste gegevens in het geding gebracht.
Uit het voorafgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
R.L. Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 december
2003.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|