|
Uitspraak
02/2352
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. E.G.W. Hendriks, advocaat te Hoensbroek, op
de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 maart 2002, reg.nr.
01/217 WVG, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere
stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 november 2003. Appellant is,
zoals aangekondigd, niet verschenen. Gedaagde heeft zich laten
vertegenwoordigen door L.H.J.F. Schlenter, werkzaam bij de gemeente
Landgraaf.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke algemeen
verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.
Bij het bestreden besluit van 19 december 2000 heeft gedaagde
gehandhaafd zijn besluit van 21 september 1999, inhoudende afwijzing van
de op 1 april 1999 ingekomen aanvraag van appellant om een
woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en
(her)inrichtingskosten (hierna: verhuiskostenvergoeding) op grond van de
Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) en de Verordening
voorzieningen gehandicapten van de gemeente Landgraaf (hierna:
Verordening). Het bestreden besluit berust - kort gezegd - op het
standpunt dat appellant, gelet op de adviezen van de
sociaal-geneeskundige H.A.A. Dautzenberg van de Gemeenschappelijke
Gezondheidsdienst Oostelijk Zuid-Limburg (hierna: GGD) van 17 september
1999 en 20 maart 2000, geen aantoonbare beperkingen van ergonomische
aard ondervindt die het normale gebruik van de woning belemmeren op
grond waarvan een woonvoorziening ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van
de Verordening noodzakelijk is.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling
omtrent het griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit
gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
De rechtbank heeft allereerst overwogen dat volgens vaste jurisprudentie
bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening als de
onderhavige de eis van ergonomische beperkingen niet kan worden gesteld,
zodat artikel 2.4, eerste lid, van de Verordening in zoverre wegens
strijd met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg buiten
toepassing moet worden gelaten.
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het criterium, neergelegd in
artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg, dat om in
aanmerking te komen voor een verhuiskostenvergoeding sprake moet zijn
van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek die het
normale gebruik van de woning belemmeren, onverkort van toepassing
blijft. Op basis van de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de
rechtbank in dat verband geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat
bij appellant sprake was van dergelijke beperkingen.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit
in stand zijn gelaten. Appellant heeft onder meer aangevoerd dat wel
degelijk sprake was van aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte
of gebrek die het normale gebruik van zijn (inmiddels verlaten) woning
belemmerden (hetgeen zou blijken uit overgelegde medische informatie van
verschillende artsen), dat zijn huisarts hem heeft geadviseerd te
verhuizen (van een flatwoning naar een grotendeels gelijkvloerse
woning), en dat de rechtbank ten onrechte veel waarde heeft gehecht aan
de bevindingen van de sociaal-geneeskundigen van de GGD, die naar de
mening van appellant niet zijn gestoeld op een deugdelijk onderzoek.
De Raad heeft in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding
kunnen vinden om het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten
grondslag gelegde overwegingen niet te volgen.
Gelet op de gedingstukken, waaronder de adviezen van Dautzenberg van 17
september 1999 en 20 maart 2000, die appellant heeft onderzocht en de
beschikking heeft gehad over informatie van de huisartsen van appellant,
de behandelend sector (orthopeden en reumatoloog) en de
sociaal-geneeskundige F.J.A.Poettgens van de GGD, is ook de Raad van
oordeel dat bij appellant geen sprake is van aantoonbare beperkingen ten
gevolge van ziekte of gebrek die het normale gebruik van de woning
belemmeren, en evenmin dat sprake is geweest van een onzorgvuldig
(medisch) onderzoek. Daarbij acht de Raad nog van belang dat uit
informatie van de reumatoloog en de orthopedisch chirurg blijkt dat
appellant - die heeft aangegeven dat de reden voor de verhuizing is
gelegen in met name zijn knieklachten, als gevolg waarvan hij
belemmeringen ondervindt bij het traplopen - na 1998 bij hen uitsluitend
bekend is geweest met schouderklachten, en derhalve niet met
knieklachten.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen
aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 januari
2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|