|
Uitspraak
02/5930
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 8 februari 2001 heeft gedaagde geweigerd appellant - in
het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening
voorzieningen gehandicapten 1994 van de gemeente Den Haag (Verordening)
- in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van
een gesloten buitenwagen.
Bij het bestreden besluit van 2 november 2001 is het bezwaar van
appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft het tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep bij uitspraak van 8 november 2002, registratienummer
01/4351 WVG, ongegrond verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Naar aanleiding van een schrijven van de Raad heeft gedaagde bij brief
van 6 november 2003 ingezonden een 'Rapportage Selectie Scootmobiel' van de
ergonomisch adviseur G. Verdouw van Argonaut BV van 14 mei 2001 en
rapportages van de verzekeringsarts L.H.C. van Berckel en de arts P.W.
Mulder van Argonaut BV van 26 september 2002 respectievelijk 22 augustus
2002.
Bij datzelfde schrijven heeft gedaagde het besluit van 4 oktober 2002,
inhoudende een afwijzing van een aanvraag van 17 oktober 2001 om een
gesloten buitenwagen, overgelegd. Daartegen is, blijkens informatie die
ter zitting beschikbaar is gekomen, geen bezwaar ingesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 december 2003,
waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. N. Maas werkzaam bij de gemeente Den Haag.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante heeft middels een op 28 januari 2001 ondertekend formulier
bij gedaagde een aanvraag ingediend voor onder meer een gesloten
buitenwagen en heeft daarbij melding gemaakt van pijnklachten in
gewrichten, versleten botten, astma, jicht en nier- en
prostaatproblemen.
Op 11 januari 2001 heeft de arts S. Ammersingh van Argonaut BV een
advies uitgebracht waarin is geconstateerd dat sprake is van
urologische-, long- en reumatologische aandoeningen en slijtageklachten
van de rug. Genoemde arts heeft aangegeven dat er in verband met de
long-, en reumatologische aandoeningen een indicatie is voor een
vervoersvoorziening en dat de goedkoopst adequate oplossing daarvoor is
collectief aanvullend vervoer in combinatie met een scootermobiel voor
korte afstanden. Ammersingh heeft aangegeven dat appellant die
voorzieningen afwijst en heeft voorts geconcludeerd dat geen sprake is
van een indicatie voor een gesloten buitenwagen.
Op 8 februari 2001 heeft gedaagde overeenkomstig dit advies beslist.
In bezwaar heeft appellant zijn medische klachten nogmaals naar voren
gebracht en aangegeven dat hij (urine) incontinent is, hij zich
regelmatig moet verschonen en dat de gesloten buitenwagen de enige
adequate voorziening is. Uit de stukken is gebleken dat hangende de
bezwaarfase de scootermobiel en collectief aanvullend vervoer inmiddels
als voorziening aan appellant reeds zijn verstrekt.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat niet is aangetoond dat
de verstrekte voorzieningen niet voldoen en appellant onvoldoende in
staat stellen aan het leven van alledag deel te nemen, zodat de
voorziening voor een buitenwagen terecht is afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Daartoe is overwogen dat het advies van de arts Ammersingh, voornoemd,
op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat gedaagde zich op dat
advies heeft mogen baseren.
In hoger beroep heeft appellant onder meer aangegeven dat hij zwaar
urine-incontinent is en ook incontinent is voor ontlasting, dat de
toekenning van andere voorzieningen zijnde een seniorenbed en een sta-op
stoel, al genoeg zeggen en dat hij enkele malen is omgevallen met zijn
scootermobiel.
De Raad dient, gelet op het vorenstaande, de vraag te beantwoorden of
gedaagde terecht en op goede gronden op de aanvraag van appellant om een
gesloten buitenwagen heeft afgewezen.
Uit de artikelen 3.1. en 3.2 van de Verordering volgt - samengevat en
voor zover in deze zaak van belang - dat verstrekking van een gesloten
buitenwagen pas aan de orde is als de betrokkene op medische gronden
geen gebruik kan maken van het collectief systeem van aanvullend
vervoer.
Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat niet gebleken is het dat
advies van de arts Ammersingh, voornoemd, onjuist is dan wel op
onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ondanks herhaalde verzoeken
van deze arts is door de huisarts van appellant geen medische informatie
verstrekt. Van de zijde van appellant is geen medische informatie
verstrekt die de Raad doet twijfelen aan de juistheid van het besluit.
Wat betreft de grief van appellant dat hij in verband met
incontinentieklachten geen gebruik kan maken van het collectief
aanvullend vervoer in verband met de onmogelijkheid zich te verschonen
en overlast geeft aan andere deelnemers wat bij hem gepaard gaat met
gevoelens van schaamte, zodat hij is aangewezen op een gesloten
buitenwagen, wijst de Raad erop dat uit de stukken en het verhandelde
ter zitting genoegzaam naar voren komt dat de (urine)
incontinentieklachten geruime tijd na de afwijzing van de aanvraag zijn
toegenomen en de gestelde incontinentieklachten voor ontlasting ook
eerst nadien zijn ontstaan.
Voorts wijst de Raad met betrekking tot de incontinentieproblematiek op
zijn eerdere uitspraken van 15 augustus 2001, 00/1744 WVG (RSV 2001/185)
en 11 oktober 2000, 99/5404 WVG (JSV 2000/289), die erop neerkomen dat
incontinentie niet altijd aanleiding behoeft te geven tot het oordeel
dat collectief vervoer voor deelname aan het leven van alledag niet
adequaat zou zijn, onder meer omdat het bij een dergelijke voorziening
in de regel gaat om vrij korte ritten in de directe omgeving waarbij mag
worden verwacht dat betrokkene beschikt over adequaat
incontinentiemateriaal. Bij het voorafgaande tekent de Raad nog aan dat
de artsen Van Berckel en Mulder, voornoemd, die zijn geraadpleegd in
verband met latere aanvragen om woonvoorzieningen en een gesloten
buitenwagen, evenmin aanleiding hebben gezien voor een indicatie voor
een gesloten buitenwagen. Daarbij heeft Mulder aangegeven dat de
incontinentie problematiek met materiaal redelijk onder controle is.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt
en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. C. van Viegen
en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D.
Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.D. Veldman.
|
|