|
Uitspraak
03/4396
WVG en 03/4432 WVG
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Noorder-Koggenland, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Appellant heeft op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Alkmaar van 28 juli 2003, reg.nrs. 02/875 en 02/876, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. W. Searle, advocaat te Hoorn, een
verweerschrift (met bijlagen) ingediend en vervolgens nadere stukken
ingezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 17 december 2003, waar
appellant zich heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Reijnen en
J. van Wijckhuijse, beiden werkzaam bij de gemeente Noorder-Koggenland,
en waar gedaagde - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting, naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij op 6 april 2001 gedateerde aanvraag heeft gedaagde in het kader van
de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) verzocht om een
vervoersvoorziening in de vorm van een autokostenvergoeding voor het
vervoer over de korte en middellange afstand, bij op 8 mei 2001
gedateerde aanvraag om een elektrische rolstoel en bij op 14 februari 2002 bij appellant ingekomen aanvraag om een
vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel (met adequate
berging) of een gesloten buitenwagen.
Bij primair besluit van 20 februari 2002 heeft appellant aan gedaagde
een tegemoetkoming in de kosten van vervoer toegekend over de periode
van 12 april 2001 tot de dag waarop hij kan beschikken over de
aangevraagde elektrische rolstoel. Bij primair besluit van 7 maart 2002
heeft appellant de aanvraag om een scootmobiel of een gesloten
buitenwagen afgewezen op de grond dat aan gedaagde inmiddels een
elektrische rolstoel is toegekend die behalve voor gebruik binnen en
rondom het huis tevens geschikt is voor het vervoer over de korte en
middellange afstand op de openbare weg, terwijl gedaagde voor het
regionale vervoer gebruik kan maken van de reeds eerder aan hem bij
wijze van vervoersvoorziening in het kader van de Wvg verstrekte
OV-taxipas.
Bij de - twee - bestreden besluiten van 17 juni 2002 heeft appellant de
tegen de primaire besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - de tegen de bestreden besluiten
ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en
bepaald dat appellant met inachtneming van de uitspraak opnieuw op de
bezwaren van gedaagde dient te beslissen. De rechtbank heeft daartoe -
kort weergegeven en voorzover in hoger beroep nog van belang - overwogen
dat appellant, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet
bestuursrecht (hierna: Awb), onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht of
de - beoogde - elektrische rolstoel behalve voor gebruik binnen en
rondom de woning inderdaad ook geschikt is voor het vervoer over de
korte en middellange afstand op de openbare weg.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Daarbij is aangevoerd dat gedaagde uitdrukkelijk een rolstoel heeft
aangevraagd voor gebruik binnen en buiten (onder andere vanwege
transferproblemen), dat de arts A.H.J. Olijhoek van de Gewestelijke
Gezondheidsdienst West-Friesland (hierna: GGD) op 22 mei 2001 heeft
geadviseerd een elektrische rolstoel te verstrekken die zowel binnen als
buiten kan worden gebruikt, dat met inachtneming daarvan een bepaalde
rolstoel is geselecteerd, en dat de geschiktheid van die rolstoel voor
het vervoer over de korte en middellange afstand op de openbare weg
blijkt uit de in hoger beroep ingebrachte folder van de rolstoel.
Gedaagde heeft in hoger beroep volhard in zijn standpunt dat de -
aangepaste - elektrische rolstoel zowel op zichzelf als gelet op zijn
medische beperkingen niet geschikt is voor gebruik op de openbare weg.
Gedaagde blijft dan ook van mening dat naast de OV-taxipas een
aanvullende vervoersvoorziening (in de vorm van de aangevraagde
scootmobiel of gesloten buitenwagen) dient te worden verstrekt.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van de beschikbare gegevens en mede gelet op de ter zitting
door appellant gegeven nadere toelichting acht de Raad aannemelijk dat
de elektrische rolstoel (ook) geschikt is voor gebruik op de openbare
weg. Voorts acht de Raad niet gebleken van medische belemmeringen bij
gedaagde om voor het vervoer over de korte en middellange afstand van de
elektrische rolstoel gebruik te maken.
Daarbij wijst de Raad in het bijzonder op de hiervoor bedoelde folder,
waarin de karakteristieken van de elektrische rolstoel zijn vermeld, en
op het hiervoor vermelde advies van de GGD-arts. Deze arts, die gedaagde
op spreekuur heeft gezien, dossierstudie heeft verricht en de
beschikking heeft gehad over een advies van de ergotherapeut M. Koppes van 10 januari 2002, heeft geadviseerd gedaagde een
elektrische rolstoel te verstrekken, opdat gedaagde zich daarmee binnen
en buiten de woning kan verplaatsen. De ergotherapeut heeft ook
uitdrukkelijk aangegeven dat een elektrische rolstoel het probleem voor
gedaagde oplost om zelfstandig middellange afstanden te kunnen
overbruggen.
Anders dan de rechtbank ziet de Raad dan ook niet dat appellant bij de
voorbereiding van de bestreden besluiten in strijd is gekomen met
artikel 3:2 van de Awb.
Nu ervan moet worden uitgegaan dat gedaagde met de toegekende
elektrische rolstoel kan voorzien in zijn vervoersbehoefte over de korte
en middellange afstand, heeft appellant zich voorts terecht op het
standpunt gesteld dat onder de gegeven omstandigheden voor een
aanvullende vervoersvoorziening voor de korte en middellange afstand
geen noodzaak aanwezig is.
In dit verband wijst de Raad er voor de goede orde nog op dat - anders
dan de rechtbank kennelijk heeft verondersteld - een rolstoel op
zichzelf geen vervoersvoorziening in de zin van artikel 2 van de Wvg is
(vgl. de uitspraak van de Raad van 7 november 1997, gepubliceerd in
onder meer JSV 1998/133), maar dat het feit dat een gehandicapte over
een rolstoel beschikt betrokken kan en mag worden bij de beantwoording
van de vraag of respectievelijk in welke omvang een vervoersvoorziening
dient te worden toegekend.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep doel treft. De aangevallen
uitspraak dient te worden vernietigd en de beroepen dienen ongegrond te
worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
mr. A. van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28
januari 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) A. van Netten.
|
|