|
Uitspraak
01/3163
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen,
appellant,
en
de erven van wijlen [betrokkene], gewoond hebbende te [woonplaats],
gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Maastricht van 9 mei 2001, reg.nr. 00/5 WVG, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 november 2003, waar appellant
- ambtshalve opgeroepen - zich heeft laten vertegenwoordigen door W.
Savelbergh, werkzaam bij de gemeente Heerlen, en waar gedaagden niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat, mede gelet op de gedingstukken, uit van de volgende
feiten.
Bij het bestreden besluit van 25 november 1999 heeft appellant
gehandhaafd zijn besluit van 10 september 1999, inhoudende afwijzing van
de op 10 augustus 1999 ingekomen aanvraag van - thans wijlen -
[betrokkene] (hierna: betrokkene) om een woonvoorziening in de vorm van
een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten (hierna:
verhuiskostenvergoeding) op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten
(hierna: Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente
Heerlen (hierna: Verordening). Het bestreden besluit berust op het
standpunt dat niet is gebleken van objectief aantoonbare beperkingen in
het normale gebruik van de woning van betrokkene op grond waarvan
verhuizing (medisch) noodzakelijk is. Appellant heeft geen aanleiding
gezien betrokkene medisch te doen onderzoeken.
Hoewel appellant de aanvraag had afgewezen, is gedaagde toch verhuisd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald
dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat
appellant, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht,
heeft nagelaten een onderzoek te doen instellen naar de medische
situatie van betrokkene.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In het kader van zijn aanvraag heeft betrokkene, die leed aan een
chronische longziekte en die woonachtig was in een ten behoeve van hem
aangepaste woning, naar voren gebracht dat verhuizing naar een andere
woning noodzakelijk was omdat hij ernstige ademhalingsproblemen
ondervond als gevolg van het feit dat zijn buurman kippen hield.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag, gelet op artikel 1, eerste
lid, aanhef en onder c, van de Wvg, het vereiste van ergonomische
beperkingen niet worden gesteld als het gaat om een woonvoorziening in
de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Wel blijft overeind dat (ook)
bij een verhuiskostenvergoeding sprake moet zijn van een maatregel
gericht op het opheffen of verminderen van beperkingen (ruimer dan -
alleen - ergonomische beperkingen) die de gehandicapte bij het normale
gebruik van zijn bestaande, te verlaten, woning ondervindt. Het moet dan
gaan om naar objectieve medische maatstaf aanwezige beperkingen ten
gevolge van ziekte of gebrek die een op opheffing of vermindering
daarvan gerichte voorziening langdurig noodzakelijk maken. In geval van
een verhuiskostenvergoeding gelden derhalve (iets) minder stringente
eisen.
In enkele uitspraken heeft de Raad die eisen samengebracht onder de
formulering "het vereiste van een medische noodzaak voor
verhuizing". De Raad acht het aangewezen die formulering aan te
scherpen, nu deze in de praktijk met enige regelmaat aanleiding blijkt
te geven tot een uitleg die in het licht van de achtergrond en de
reikwijdte van de Wvg te ruim is. In dit verband wijst de Raad erop dat,
naar onder meer in zijn uitspraak van 26 maart 1999 (gepubliceerd in RSV
1999/137) ligt besloten, uit de geschiedenis van de totstandkoming van
de Wvg naar voren komt dat de wetgever niet heeft beoogd het terrein van
de uit de voormalige Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten
overgehevelde voorzieningen te verruimen. Met inachtneming van het
voorgaande formuleert de Raad thans als - aanvullend - vereiste, dat van
beperkingen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van
de Wvg alleen dan sprake is, indien een rechtstreeks oorzakelijk verband
bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf
aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische
kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning, terwijl voorts de
beperkingen in de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid van de
woning moet worden begrepen) moeten worden ondervonden.
Op grond van de beschikbare gegevens is de Raad van oordeel dat niet kan
worden gezegd dat bij betrokkene sprake is van beperkingen in de
hiervoor bedoelde zin, zodat de aangevraagde verhuiskostenvergoeding
terecht is geweigerd.
Nu appellant bovendien bij het bestreden besluit de aanvraag ook niet
heeft beoordeeld aan de hand van het - toen nog - in artikel 2.4, eerste
lid, van de Verordening opgenomen onjuiste vereiste van ergonomische
beperkingen maar uitsluitend aan de hand van artikel 1, eerste lid,
aanhef en onder c, van de Wvg, treft het hoger beroep doel. De
aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep dient
ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 4 februari 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|