|
Uitspraak
02/3085
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28
maart 2002, reg.nr. 01/1618 WVG, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend en vervolgens
nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 12 november 2003, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.H.R. Smit, advocaat te
Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
M. van der Hijden en J.G.C. Scheffer, beiden werkzaam bij de gemeente
Amsterdam.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke algemeen
verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het
volgende.
Bij het bestreden besluit van 2 april 2001 heeft appellant gehandhaafd
zijn besluit van 4 januari 2001, inhoudende afwijzing van de op 1
november 2000 ingekomen aanvraag van gedaagde om een woonvoorziening in
de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten
(hierna: verhuiskostenvergoeding) op grond van de Wet voorzieningen
gehandicapten (hierna: Wvg) en de Verordening voorzieningen
gehandicapten gemeente Amsterdam. Het bestreden besluit berust op het
standpunt dat, bij gedaagde weliswaar sprake is van psychische
problematiek, maar dat niet is gebleken van objectief aantoonbare
beperkingen in het normale gebruik van de woning van gedaagde op grond
waarvan verhuizing (medisch) noodzakelijk is.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het tegen het bestreden besluit
ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald
dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft - kort gezegd -
overwogen dat niet valt in te zien waarom appellant enerzijds wel erkent
dat bij gedaagde sprake is van psychische beperkingen, maar anderzijds
daaraan toch niet de conclusie verbindt dat een medische noodzaak voor
verhuizing bestaat.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd en daarbij - kort gezegd - aangevoerd dat het enkele
feit dat sprake is van psychische beperkingen nog niet betekent dat
gedaagde (als gevolg daarvan) belemmeringen ondervindt in het normale
gebruik van zijn woning.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In het geval van gedaagde komt uit het advies van de arts van de GG&GD
van 5 december 2000 - welke arts de behandelend zenuwarts heeft
geraadpleegd - naar voren dat bij gedaagde sprake is van een chronische
psychische problematiek. De GG&GD-arts concludeert dat het
functioneren van gedaagde in de toen door hem bewoonde woning beperkt
is, dat overschrijding van de draagkracht wordt verwacht als het
verwachte kind is geboren, dat een andere (beneden)woning met voorrang
is aangewezen op grond van de combinatie van psychische en lichamelijke
problemen, maar dat in de woning geen fysieke belemmeringen bestaan en
derhalve geen indicatie aanwezig is voor een verhuiskostenvergoeding in
het kader van de Wvg. Voorts wordt vermeld dat in de woning geen
voorzieningen noodzakelijk zijn en dat de hoop erop is gericht dat
gedaagde in een andere woning geen (of minder) psychische beperkingen
zal ervaren.
Concreet heeft gedaagde, die inmiddels is verhuisd naar een andere
woning, gesteld dat bij hem sprake is van angstgevoelens en
hallucinaties als gevolg van de door hem - zeker gelet op de verwachte
gezinsuitbreiding - als te klein ervaren woning. Gedaagde heeft verder
gesteld dat die angstgevoelens en hallucinaties ook worden opgeroepen
door zijn angst voor water en dat de toen door hem bewoonde woning aan
althans in de nabijheid van water was gelegen.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag, gelet op artikel 1, eerste
lid, aanhef en onder c, van de Wvg, het vereiste van ergonomische
beperkingen niet worden gesteld als het gaat om een woonvoorziening in
de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Wel blijft overeind dat (ook)
bij een verhuiskostenvergoeding sprake moet zijn van een maatregel
gericht op het opheffen of verminderen van beperkingen (ruimer dan -
alleen - ergonomische beperkingen) die de gehandicapte bij het normale
gebruik van zijn bestaande, te verlaten, woning ondervindt. Het moet dan
gaan om naar objectieve medische maatstaf aanwezige beperkingen ten
gevolge van ziekte of gebrek die een op opheffing of vermindering
daarvan gerichte voorziening langdurig noodzakelijk maken. In geval van
een verhuiskostenvergoeding gelden derhalve (iets) minder stringente
eisen.
In enkele uitspraken heeft de Raad die eisen samengebracht onder de
formulering "het vereiste van een medische noodzaak voor
verhuizing". De Raad acht het aangewezen die formulering aan te
scherpen, nu deze in de praktijk met enige regelmaat aanleiding blijkt
te geven tot een uitleg die in het licht van de achtergrond en de
reikwijdte van de Wvg te ruim is. In dit verband wijst de Raad erop dat,
naar onder meer in zijn uitspraak van 26 maart 1999 (gepubliceerd in RSV
1999/137) ligt besloten, uit de geschiedenis van de totstandkoming van
de Wvg naar voren komt dat de wetgever niet heeft beoogd het terrein van
de uit de voormalige Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten
overgehevelde voorzieningen te verruimen. Met inachtneming van het
voorgaande formuleert de Raad thans als - aanvullend - vereiste, dat van
beperkingen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van
de Wvg alleen dan sprake is, indien een rechtstreeks oorzakelijk verband
bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf
aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische
kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning, terwijl voorts de
beperkingen in de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid van de
woning moet worden begrepen) moeten worden ondervonden.
Op grond van de beschikbare gegevens is de Raad van oordeel dat niet kan
worden gezegd dat bij gedaagde sprake is van beperkingen in de hiervoor
bedoelde zin, zodat de aangevraagde verhuiskostenvergoeding terecht is
geweigerd.
Het hoger beroep treft derhalve doel. De aangevallen uitspraak dient te
worden vernietigd en het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 februari
2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|