|
Uitspraak
02/3577
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. F.S.P. Gijsberti Hodenpijl, advocaat te
Amsterdam, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 juni 2002, reg.nr. 01/3643 WVG, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 november 2003, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Gijsberti Hodenpijl en gedaagde door mr. W.A. Hakstege, werkzaam bij
de gemeente Amsterdam.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.
Bij het bestreden besluit van 7 september 2001 heeft gedaagde het
bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 29 februari 2000,
waarbij de aanvraag om (vervanging van) een bruikleenauto is afgewezen,
ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit is gebaseerd op het standpunt dat appellant gelet
op zijn medische beperkingen en zijn vervoersbehoefte met een gesloten
buitenwagen binnen zijn woon- en leefomgeving op adequate wijze kan
deelnemen aan het leven van alledag, terwijl door verstrekking van een
taxivergoeding (in beperkte mate) in zijn vervoersbehoefte buiten de
regio kan worden voorzien.
De rechtbank heeft ter zake hiervan in de aangevallen uitspraak -
appellant aanduidend als eiser en gedaagde als verweerder - het volgende
overwogen:
"Wat betreft de vraag of eiser in staat moet worden geacht gebruik
te maken van de (combinatie van) geïndiceerde vervoersvoorzieningen,
stelt de rechtbank vast dat tijdens medisch onderzoek is geconstateerd
dat eiser vanwege een neurologische aandoening beperkingen ondervindt in
zijn mobiliteit, met name waar het gaat om verplaatsingen buitenshuis.
Daarbij is vastgesteld dat sprake is van een weersgevoelige aandoening,
waardoor eiser voor iedere verplaatsing buitenshuis is aangewezen op
een gesloten vervoermiddel. Uit onderzoek is verder gebleken dat eiser
vanwege zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar
vervoer, dan wel het aanvullend openbaar vervoer. Met een gesloten
buitenwagen is eiser evenwel in staat geacht te voorzien in zijn
vervoersbehoefte over de korte en middellange afstand. Voor de verder
liggende vervoersdoelen is eiser medisch in staat geacht gebruik te
maken van een taxi.
Met betrekking tot eisers grief dat het medisch onderzoek ontoereikend
is geweest, overweegt de rechtbank dat de medische beoordelingen
weliswaar tot twee verschillende indicatieadviezen hebben geleid, maar
dat dit verschil niet gelegen is in verschillende medische
beoordelingen, doch is ingegeven door het feit dat bij de uitgebrachte
adviezen is uitgegaan van een verschillende vervoersbehoefte. In dit
kader is gebleken dat het eerdere door de Stichting Tot en Met
uitgebrachte indicatieadvies blijkens de rapportage van 10 december
1999 is gebaseerd op een veel grotere vervoersbehoefte dan waartoe de
zorgplicht van verweerder strekt. Nu door de Stichting Tot en Met een
vrij uitgebreid onderzoek is verricht met betrekking tot eisers
beperkingen, en blijkens de rapportages van 10 december 1999 en 14
februari 2000 tijdens beide onderzoeken is uitgegaan van dezelfde
medische gegevens, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd
worden dat het medisch onderzoek ontoereikend is geweest. Daarbij neemt
de rechtbank in aanmerking dat eisers medische situatie tijdens de
bezwaarfase nogmaals door een arts van de Stichting Tot en Met is
beoordeeld, bij welk onderzoek tevens de door de behandelend
fysiotherapeut verstrekte informatie is betrokken. Met de door eiser in
beroep overgelegde verklaring van de fysiotherapeut is naar het oordeel
van de rechtbank onvoldoende onderbouwing geleverd voor het standpunt
dat de medische beoordeling ontoereikend is geweest, dan wel dat sprake
is van een verslechtering van eisers medische situatie. Gelet op het
voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding een nieuw medisch onderzoek
te gelasten, als door eiser verzocht."
De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen
aanleiding gevonden om dit oordeel van de rechtbank voor onjuist te
houden. In de door appellant overgelegde verklaringen van zijn
fysiotherapeut, E.A. Boomsma, heeft de Raad geen aanknopingspunten
gevonden voor het aannemen van een contra-indicatie voor het gebruik van
een gesloten buitenwagen of van een taxi.
Evenals de rechtbank acht de Raad het voorts niet aannemelijk dat
appellant zonder bruikleenauto ten behoeve van het onderhouden van met
name bovenregionale contacten in een sociaal isolement zou komen te
verkeren. Uit de gedingstukken blijkt immers dat appellant ten tijde in
geding samenwoonde met zijn echtgenote en zijn zoon en dat hij diverse
sociale contacten onderhield in zijn directe woon- en leefomgeving,
zodat hij voor het onderhouden van zijn sociale contacten niet
uitsluitend is aangewezen op contacten buiten de regio.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. drs. Th.G.M.
Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van
I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het
openbaar op 7 januari 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
|
|