|
Uitspraak
02/5657
WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg,
appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij aan gedaagde gericht primair besluit van 8 januari 2002 heeft
appellant, in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna:
Wvg), enerzijds geweigerd een bruikleenbus te verstrekken en anderzijds
een financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een
individuele rolstoeltaxi toegekend. Tevens heeft appellant met
toepassing van de hardheidsclausule aan gedaagde een financiële
tegemoetkoming verstrekt in de kosten van een autoaanpassing tot een
maximumbedrag van € 2.952,29 en (zodra die aanpassing is gerealiseerd)
een forfaitaire autokostenvergoeding berekend naar 100% van de geldende
norm.
Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij
bestreden besluit van 26 maart 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak van 4 oktober 2002, reg.nr Awb 02/205,
heeft de rechtbank Middelburg - met een bepaling omtrent het
griffierecht - het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw
besluit op bezwaar dient te nemen.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde heeft zijn wettelijk vertegenwoordiger [naam wettelijke
vertegenwoordiger] een verweerschrift ingediend. Appellant heeft -
desgevraagd - nadere stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 maart 2004, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. W.J.M. Peters, werkzaam bij
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en C. Poppe en M. Laros, beiden
werkzaam bij de gemeente Oostburg, en waar gedaagde in persoon is
verschenen, bijgestaan door zijn wettelijk vertegenwoordiger, [naam
wettelijke vertegenwoordiger].
II. MOTIVERING
Op initiatief van de Raad is, onder meer gelet op de gedingstukken en de
bijzondere omstandigheden van dit geval, tussen partijen de volgende
schikking tot stand gekomen.
Appellant stelt een bedrag ineens ter beschikking van € 12.000,-- ter
voorziening in de aanschafkosten van een adequaat aangepaste auto voor
het vervoer van gedaagde. Het bedrag wordt bij aanschaf van de auto
uitbetaald aan de wettelijk vertegenwoordiger van gedaagde. Met dit
bedrag wordt gedaagde in staat geacht gedurende zeven jaar in zijn
vervoer te kunnen voorzien. In die periode zal gedaagde geen beroep doen
op vervoers-voorzieningen op grond van de Wvg of enige volgende
regeling, tenzij de medische situatie van gedaagde zich - onvoorzien -
fundamenteel wijzigt. Mocht het gebruik van de met dit bedrag
aangeschafte rolstoelbus binnen zeven jaar worden beëindigd dan zal
deze in overleg met appellant worden verkocht, waarbij de opbrengst
tussen partijen wordt verdeeld naar evenredigheid van ieders aandeel in
de kosten van de rolstoelbus.
Gedaagde heeft verklaard geen beroep meer te zullen doen op de
aangevallen uitspraak en appellant zal geen beroep meer doen op het
primaire besluit. Ten slotte hebben partijen desgevraagd verklaard
elkaar finale kwijting te verlenen.
Gelet op het vorenstaande bestaat thans geen belang meer bij een
beoordeling van het door appellant ingestelde hoger beroep, zodat dit
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid
van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar
op 14 april 2004.
(get.) M.I. 't Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|