|
Uitspraak
02/5774
WVG en 02/5775 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant 1] en [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr. A.A.H. Beenen-Oskam, wonende te
Driebergen-Rijsenburg, op de bij een aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 september 2002, reg.nr. 01/1961 WVG,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 18 februari 2004, waar
appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Beenen-Oskam,
en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A. van den
Borne, werkzaam bij de gemeente Bladel.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke algemeen
verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de
gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het
volgende.
Appellanten wonen samen en zijn visueel gehandicapt. Zij ontvingen van
gedaagde vanaf 1 januari 2001 een vervoersvoorziening in de vorm van een
deelnemerspas voor het gebruik van het collectief vervoer.
Bij primair besluit van 20 maart 2001 heeft gedaagde de aan appellanten
toegekende vervoersvoorziening met ingang van 1 juli 2001 beëindigd, op
de grond dat hun gezamenlijke inkomen ligt boven de in de - in de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) haar (delegatie)grondslag vindende -
Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Bladel (Verordening)
opgenomen inkomensgrens van, bij twee gehandicapte partners, 1,6 maal
het toepasselijke norminkomen.
Bij het bestreden besluit van 3 juli 2001 heeft gedaagde het tegen het
primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In het kader van
de bezwaarschriftprocedure hebben appellanten verklaard dat de door
gedaagde gehanteerde inkomensgegevens juist zijn en dat geen sprake is
van wijzigingen in hun vervoerspatroon en hun vervoersbehoefte in
vergelijking met de situatie die aan de orde was in de eerder tussen
partijen gewezen uitspraak van de Raad van 18 december 2002 (reg.nrs.
01/3709 en 01/3710 WVG) betreffende een aan appellanten toegekende
vervoersvoorziening in de vorm van een - beperkte - vergoeding in de
kosten van begeleiding.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder
meer overwogen dat het stellen van een of meer inkomensgrenzen niet in
strijd is met de Wvg, dat gedaagde overeenkomstig de bepalingen van de
Wvg en de Verordening heeft gehandeld en dat appellanten, gelet op de
hoogte van hun inkomen, in staat moeten worden geacht zelf in hun
vervoerskosten te voorzien. Voorts heeft de rechtbank betekenis
toegekend aan het gegeven dat gedaagde appellanten de mogelijkheid heeft
geboden dat rekening zou worden gehouden met eventuele in verband met
hun handicap gemaakte kosten, van welke mogelijkheid appellanten echter
geen gebruik hebben gemaakt. De rechtbank heeft ten slotte geen
aanleiding gevonden voor het oordeel dat gedaagde niet tot afwijzing van
het beroep op de in de Verordening opgenomen hardheidsclausule had
kunnen besluiten.
Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak
gekeerd. Daarbij is - kort weergegeven - het volgende aangevoerd:
- Betrokkenen met een inkomen boven het norminkomen, zoals appellanten,
worden geheel uitgesloten van een voorziening waarvoor zij, gezien hun
handicap, wel in aanmerking zouden (moeten) komen. Dit is anders bij een
financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, waarbij
de tegemoetkoming wordt verminderd met het bedrag waarmee de
inkomensgrens wordt overschreden, zodat de voorziening wel - zij het
tegen een hogere eigen bijdrage - beschikbaar blijft. Appellanten zijn
overigens bereid een redelijke eigen bijdrage te betalen.
- Gedaagde handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu in het
kader van het reguliere openbaar vervoer ook geen inkomensgrens wordt
gehanteerd.
- Toepassing van de hardheidsclausule zou in de opvatting van
appellanten
- bijvoorbeeld - kunnen inhouden dat zij gebruik zouden kunnen maken van
de deeltaxi tegen een hoger tarief dan het tarief dat houders van een
deelnemerspas voor het gebruik van het collectief vervoer betalen.
Naar aanleiding van deze grieven overweegt de Raad het volgende.
In de Verordening is een bepaling opgenomen die erop neerkomt dat
deelname aan het collectief vervoer gebonden is aan een bepaalde
inkomensgrens. In de rechtspraak van de Raad ligt besloten dat met
betrekking tot een vervoerskostenvergoeding in de Wvg geen beletselen
zijn gelegen om bij de gemeentelijke verordening een of meer
inkomensgrenzen te stellen, voorzover deze stroken met het aan de Wvg
ten grondslag liggende uitgangspunt dat een gehandicapte met een inkomen
boven de gestelde grenzen geacht wordt zelf te kunnen voorzien in de
kosten van het vervoer in zijn directe leefomgeving, bijvoorbeeld door
vervoer per eigen auto of andermans auto bestuurd door derden, per
individuele taxi dan wel per deeltaxi tegen een tarief dat hoger ligt
dan het gereduceerde tarief voor Wvg-geïndiceerden. Het stellen van een
of meer inkomensgrenzen als voorwaarde om in aanmerking te komen voor
deelname aan het collectief vervoer acht de Raad in algemene zin evenmin
rechtens ongeoorloofd. De specifieke in het onderhavige geval van
toepassing zijnde inkomensgrens van - bij twee gehandicapte partners -
1,6 maal het toepasselijke en in de Verordening gedefinieerde
norminkomen, acht de Raad niet onaanvaardbaar. Dat bepaalde (categorieën)
gehandicapten door het stellen van deze inkomensgrens niet (meer) voor
die voorziening in aanmerking komen, is een door de formele wetgever
niet uitgesloten consequentie daarvan.
Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is naar het oordeel van de Raad
geen sprake. Het openbaar vervoer enerzijds en het collectief vervoer
anderzijds zijn immers (in elk geval in het onderhavige
beoordelingskader) geen vergelijkbare vormen van niet-particulier
vervoer, nu het openbaar vervoer niet en het collectief vervoer wel op
een of meer specifieke categorieën personen is gericht. In dit verband
wijst de Raad er overigens - terzijde - op dat ter zitting is verklaard
dat appellanten, hoewel zij de inkomensgrens overschrijden, gebruik
kunnen maken van de deeltaxi, zij het tegen het - hogere - commerciële
tarief.
Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat gedaagde niet
gehouden was toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De Raad acht
daarvoor reeds doorslaggevend het niet geringe verschil tussen het
inkomen van appellanten enerzijds en de toepasselijke inkomensgrens
anderzijds. Voorts is gebleken dat appellanten in staat zijn om op een
voor hen bekend traject zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen
en om in hun woonplaats lopend, zonder begeleiding, winkels te bezoeken.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de
aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12
mei 2004.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|