|
Uitspraak
04/6135 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft haar bewindvoerder [naam vader] (hierna:
gemachtigde) op de daartoe bij het beroepschrift (met bijlagen) en
aanvullend beroepschrift (met bijlagen, waaronder een brief van J. Hage,
psychiater, van 12 oktober 2004) aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 29 september
2004, reg.nr. WVG 04/448.
Gedaagde heeft - desgevraagd - bij brief van 9 december 2004 nadere
stukken ingezonden.
Het geding is versneld behandeld ter zitting van 6 april 2005, waar
appellant is verschenen bij gemachtigde [naam vader] en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. W.J.M. Peters, juridisch
adviseur bij de Stichting StimulanSZ te Den Haag, en G.R.M. Koopman,
werkzaam bij de gemeente Hoorn.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreider résumé van de standpunten van partijen in eerste
aanleg, de toepasselijke bepalingen van de Wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten
gemeente Hoorn (de Verordening) verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak. Van de Verordening wordt hier in het bijzonder vermeld de in
artikel 4.2, tweede lid, voor de uitoefening van de bevoegdheid tot het
verstrekken van een sportrolstoel opgenomen voorwaarde dat de
gehandicapte zonder sportrolstoel niet in staat is tot sportbeoefening.
Appellante, geboren in 1969, is meervoudig gehandicapt. Zij is
zwakzinnig, lijdt aan epilepsie, een autistische stoornis en depressies.
Door spastische tetraplegie en een partiële dwarslaesie met parese is
zij volledig rolstoelgebonden. Zij kan slechts met haar linkerarm enige
kracht zetten. Gedaagde heeft haar voor verplaatsingen in en om huis
- onder meer - een elektrische rolstoel en een (duw)rolstoel toegekend.
Binnenshuis kan appellante zich met gebruikmaking van één arm
enigszins verplaatsen in een handbewogen en in een elektrische rolstoel.
Op 14 juli 2003 is namens appellante in het kader van de Wvg verzocht om
een sportrolstoel. Daarbij is aangegeven dat zij - met begeleiding - licht
wil rijden op paadjes in bos en duin en trainen voor deelneming aan
marathons.
Bij het bestreden besluit van 27 januari 2004 heeft gedaagde, in het
spoor van het advies van de medisch adviseur van de GGD van 10 december
2003 en de nadien door hem opgestelde aanvullende reactie, vastgehouden
aan zijn afwijzing van die aanvraag. Het standpunt van gedaagde komt er
op neer dat appellante met een sportrolstoel niet in staat zal zijn tot
sportuitoefening als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van de
Verordening en dat - bovendien - een door haar met één hand voortbewogen
sportrolstoel geen verantwoorde voorziening is in de zin van artikel 3
van de Wvg gezien het risico van verergering van haar
houdingsproblematiek.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat gedaagde, gelet op
artikel 3 van de Wvg en artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening,
voor de reikwijdte van zijn zorgplicht voor sportrolstoelen terecht als
uitgangspunt heeft genomen dat appellante de specifieke functies en
mogelijkheden van de gevraagde voorziening zelfstandig en op een
verantwoorde wijze moet kunnen benutten. De rechtbank heeft gedaagdes
standpunt dat daarvan geen sprake was, onderschreven. Tenslotte heeft de
rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht die gedaagde
ertoe hadden moeten brengen om met toepassing van de hardheidsclausule
voorbij te gaan aan de toepasselijke bepalingen van de Wvg en de
Verordening.
In hoger beroep zijn namens appellante de in eerste aanleg aangevoerde
grieven herhaald. Daarbij zijn talrijke stukken overgelegd, waaronder
brieven van de revalidatiearts H.J.M. van Kuppeveld (20 september 2004),
van Berkelbike B.V (12 juli 2004) en van de revalidatiearts H. van As
(26 maart 2002). De laatstgenoemde vermeldt dat er bij appellante weer
enige motoriek in haar benen is geconstateerd en dat met het oog daarop
gerichte (fysio)therapie wenselijk is. Uit de eerste twee brieven komt
naar voren dat appellante mogelijk gebruik zou kunnen maken van een voor
haar speciaal aangepaste hybridefiets waarbij de aandrijving plaats
vindt via de linker arm (armcranking) en via voetpedalen. Tevens heeft
appellantes vader, die revalidatiearts is, benadrukt dat zo’n hybride
sportrolstoelfiets noodzakelijk is ter voorkoming van het afsterven van
de benen.
De Raad stelt allereerst vast dat de aanvraag van 14 juli 2003, de
daarop gevolgde advisering van de GGD en het bestreden besluit
betrekking hebben op een via een handbike voort te bewegen
sportrolstoel.
Mede gelet daarop overweegt de Raad overweegt als volgt.
Blijvend binnen het hiervoor vermelde toepasselijke toetsingskader van
de Wvg, en de Verordening onderschrijft de Raad, gelet op de medische
gegevens, de strekking van het oordeel van de rechtbank. Ook de Raad
acht niet gebleken dat appellante de specifieke functies en
mogelijkheden van de gevraagde sportrolstoel ten tijde hier in geding
zou kunnen benutten op een langdurig verantwoorde wijze als in het kader
van de Wvg en de Verordening is vereist.
In dit verband heeft de Raad laten wegen dat appellante blijkens de
adviezen van 3 november 2003 en 1 december 2003 van de medisch adviseur
van de GGD, A.H.J. Olijhoek en ergotherapeute T. Bakker van Advies
Consult, voor het gebruik van de aan haar verstrekte gewone handbewogen
rolstoel buitenshuis afhankelijk is van derden die haar duwen en in het
verkeer begeleiden. Uit een -aan partijen bekend - rapport van 9
december 2003 van T. Stam-Sijs, indicatiesteller bij het Zorgloket-RIO
West-Friesland, blijkt voorts dat appellante een ontoereikende
rompbalans heeft. De medisch adviseur Olijhoek heeft na kennisneming van
een in bezwaar overgelegde opname van appellante, gezeten in een
rolstoel met handbike, een nader rapport uitgebracht waarin gemotiveerd
wordt betwijfeld of appellante voor de door haar gewenste
sportbeoefening verantwoord gebruik zal kunnen maken van de gevraagde
voorziening. In dat verband is onder meer aangegeven dat de wervelkolom
van appellante door de links-rechts dysbalans de neiging heeft tot
zijdelingse verkromming en dat regelmatige inspanning in een met de
linkerhand aangedreven sportrolstoel met handbike zal resulteren in een
linkszijdige ontwikkeling van het bovenlichaam hetgeen (verdere)
scoliosevorming zal bevorderen.
Gelet op de uit de aanwezige medische en ergotherapeutische gegevens
blijkende aard en ernst van appellantes beperkingen heeft de Raad
onvoldoende relevante aanknopingspunten om te twijfelen aan de
juistheid van de - grondig onderbouwde en op de in dit geding centraal
staande aanvraag toegespitste - zienswijze van de adviserend
geneeskundige van de GGD, A.H.J. Olijhoek. Dit klemt temeer nu de namens
appellante in hoger beroep ingezonden verklaringen van de
revalidatiearts H.J.M. van Kuppeveld en van Berkelbike B.V. uitsluitend
betrekking hebben op de mogelijkheden en voordelen van een
sportrolstoelfiets met hand- én voetaandrijving en niet ingaan op de
onderzoeksbevindingen van de arts Olijhoek, inhoudende dat een met één
hand (via een handbike) voortbewogen sportrolstoel voor appellante reëel
noch verantwoord was. De verklaring van de revalidatiearts H. van As
heeft evenmin betrekking op een sportrolstoelfiets en ziet bovendien
voornamelijk op therapeutische mogelijkheden en verstrekkingen in de
sfeer van de wettelijke zorgverzekeringen.
Naar in het voorgaande ligt besloten dient de aangevallen uitspraak te
worden bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter en mr. R M. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R. Rijnen.
|
|