|
Uitspraak
03/1652 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank
Haarlem op 25 februari 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr.
Awb 02-789, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en de Raad desgevraagd
nadere stukken doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2005, waar appellant niet
is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
D.H.C. van Oosten, werkzaam bij de gemeente Velsen.
II. MOTIVERING
Appellant ontving sedert 26 juni 1998 op grond van de Wet voorzieningen
gehandicapten (hierna: Wvg) een financiële tegemoetkoming in de kosten
van vervoer per eigen auto.
Bij brief van 5 september 2001 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat
op 1 januari 2002 een collectief vervoerssysteem (hierna: CV) van start
zal gaan en dat appellant, indien hij van mening is dat hij op grond van
medische en/of sociale redenen niet van het CV gebruik kan maken, dit
via het meegezonden formulier dient aan te geven. Hierop heeft appellant
gedaagde laten weten dat hij in verband met zijn zwakke conditie geen
gebruik kan maken van het CV en dat hij zijn zoon die in Julianadorp
woont zo lang mogelijk met de auto wil blijven bezoeken. Vervolgens
heeft gedaagde appellant bij besluit van 23 oktober 2001 medegedeeld dat
de vervoerskostenvergoeding met ingang van 1 januari 2002 wordt beëindigd
en dat appellant met ingang van die datum kan deelnemen aan het CV.
Appellant heeft tegen het besluit van 23 oktober 2001 bezwaar gemaakt.
Naar aanleiding van dit bezwaar heeft Argonaut op 7 april 2002
desgevraagd aan gedaagde - na informatie bij de longarts van appellant
te hebben opgevraagd - een medische rapportage uitgebracht. Blijkens
deze rapportage kan appellant maximaal 100 tot 200 meter lopen en is er
geen indicatie voor een individuele vervoersvergoeding. Verder is
gerapporteerd dat de zoon van appellant verstandelijk gehandicapt is,
dat hij een- tot tweemaal per maand door appellant wordt bezocht en
dat de zoon niet naar appellant kan komen. Indien appellant niet naar de
zoon toe kan gaan is er geen contact meer tussen beiden mogelijk.
Toegevoegd is dat hier sprake is van een zeer belangrijk sociaal
contact. Hierop heeft gedaagde bij besluit van 29 april 2002 het bezwaar
van appellant ongegrond verklaard op de grond dat appellant in staat
moet worden geacht gebruik te kunnen maken van het CV. Ten aanzien van
het contact met de buiten de gemeente woonachtige verstandelijk
gehandicapte zoon heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat niet
is gebleken van bijzondere omstandigheden, zoals dreigende vereenzaming,
zodat het bezoek aan de zoon bij de toekenning van de
vervoersvoorziening buiten beschouwing dient te blijven.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het
besluit van 29 april 2002 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Art. 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur
zorgdraagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen
ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in
de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge art. 3 van de Wvg
dienen deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend,
doelmatig en cliëntgericht te zijn. In art. 2, eerste lid, van de Wvg
is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen
bij of krachtens de Wvg is bepaald bij verordening daartoe regels dient
vast te stellen. De Raad stelt vast dat de raad van de gemeente Velsen,
daaraan uitvoering gevende, de Verordening Voorzieningen Gehandicapten
Gemeente Velsen 1994 (hierna: Verordening) heeft vastgesteld.
Naar de Raad reeds vele malen heeft overwogen, heeft de wetgever met
bovenstaand samenstel van bepalingen aan de gemeentebesturen bewust
ruimte gelaten om naar eigen (beleids)inzicht aan hun zorgplicht
gestalte te geven, daaronder begrepen de vrijheid om desgeraden, zoals
door het gemeentebestuur van de gemeente Velsen in artikel 3.2 van de
Verordening is gedaan, het zogenoemde primaat van het collectief vervoer
als uitgangspunt te hanteren. De rechter dient deze ruimte, gezien zijn
staatsrechtelijke positie, in beginsel te respecteren, onverminderd de
gehoudenheid van de gemeentebesturen om zowel bij de vaststelling als
bij de toepassing van hun verordeningen de in voormelde bepalingen van
de Wvg globaal aangegeven ondergrens in acht te nemen. Dit laatste
brengt mee dat aan de ter plaatse wonende gehandicapten die daarop
aangewezen zijn, een zodanige vervoersvoorziening dient te worden
aangeboden dat zij in hun naaste woon- en leefomgeving in aanvaardbare
mate in staat worden gesteld om sociale contacten te onderhouden en deel
te nemen aan het leven van alledag.
Met betrekking tot het onderhavige hoger beroep stelt de Raad allereerst
vast dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat appellant ten tijde
in geding niet in staat was om gebruik te maken van het CV. Voor het -
niet nader onderbouwde - standpunt van appellant dat hij vanwege
duizelingen geen gebruik kan maken van het CV, heeft de Raad geen
aanknopingspunten in de gedingstukken gevonden.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de door gedaagde aan appellant
geboden vervoersvoorziening een voor appellant adequate
vervoersvoorziening is. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend op
grond van het volgende.
Uit de gedingstukken is gebleken dat de vriendin en de schoonmoeder van
appellant in het op 3 kilometer afstand van [woonplaats] gelegen
Beverwijk wonen en dat appellant hen dagelijks bezoekt. Voorts is
gebleken dat het systeem van CV, zoals dat door gedaagde per 1 januari
2002 is ingevoerd, ten tijde in geding binnen de gemeente Velsen voorzag
in vervoer van deur tot deur. Buiten de gemeentegrenzen was dat niet het
geval, maar waren er in de regio een aantal centrale bestemmingen waar
de betrokkenen op hun verzoek konden worden afgezet. Binnen de -
toenmalige - gemeente Beverwijk waren deze bestemmingen ten tijde in
geding het treinstation en het Rode Kruis Ziekenhuis.
Uit het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat appellant
destijds, na in Beverwijk op een centrale bestemming te zijn afgezet,
weliswaar te voet de woning van zijn schoonmoeder kon bereiken, doch dat
het voor hem niet mogelijk was om lopend de afstand tot de woning van
zijn vriendin te overbruggen. Appellant moest, na in Beverwijk te zijn
afgezet, door zijn vriendin met de auto worden opgehaald.
Het vorenstaande brengt de Raad in het onderhavige geval tot het oordeel
dat appellant, reeds omdat hij met gebruikmaking van het CV niet in
staat was om op zijn minst bij zijn vriendin in de regio van de gemeente
Velsen op bezoek te gaan, met het hem per 1 januari 2002 aangeboden
systeem van CV niet in aanvaardbare mate in staat was om in zijn directe
leefomgeving als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Wvg zijn sociale
contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Dit
betekent dat gedaagde, door onder de gegeven omstandigheden appellant
slechts de mogelijkheid van het CV aan te bieden terwijl het systeem van
dat CV in zijn directe leefomgeving buiten de grens van de gemeente niet
voorziet in vervoer van deur tot deur, niet een voor appellant
verantwoorde en adequate vervoersvoorziening heeft toegekend als bedoeld
in artikel 3 van de Wvg.
De Raad merkt voorts op dat uit het besluit van 29 april 2002 niet
gemotiveerd blijkt of gedaagde, gelet op het advies van Argonaut van 7
april 2002 - waarin immers melding wordt gemaakt van een zeer belangrijk
sociaal contact tussen appellant en zijn verstandelijk gehandicapte
zoon, die niet bij hem op bezoek kan komen - heeft overwogen om,
eventueel met gebruikmaking van de in artikel 8.1 van de Verordening
opgenomen hardheidsclausule, aan appellant al dan niet een (aanvullende)
vervoersvoorziening toe te kennen teneinde die zoon te bezoeken. De
enkele motivering dat niet is gebleken van een bijzondere situatie zoals
een dreigende vereenzaming, acht de Raad in de omstandigheden van het
onderhavige geval onvoldoende.
Het voorgaande betekent dat het besluit van 29 april 2002 op onvoldoende
zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en wegens strijd met de artikelen
3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor
vernietiging in aanmerking komt.
De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak
niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank had behoren te doen
zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 29 april
2002 vernietigen. Gedaagde zal met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant
dienen te nemen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 4,34
wegens reiskosten in beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 29 april 2002;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 4,34, te betalen door de gemeente Velsen;
Bepaalt dat de gemeente Velsen aan appellant het in beroep en in hoger
beroep betaalde griffierecht van in totaal € 116,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.J. van
Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L.
Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|