|
Uitspraak
meervoudige kamer 03/1732 WVG
P R O C E S - V E R B A A L
van de mondelinge uitspraak op 29 juni 2005.
Zitting hebben: mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter, mr. R.M. van Male
en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, als leden en M. Pijper als griffier.
7e zaak, reg.nr. 03/1732 WVG.
[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant, in persoon verschenen,
bijgestaan door M.J.G. Lammers, werkzaam bij Adviespunt Handicap &
Recht te Tilburg.
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Hertogenbosch, gedaagde, verschenen bij gemachtigde J. van Kersen,
werkzaam bij de gemeente ’s-Hertogenbosch.
Bij de aangevallen uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19
februari 2003, reg.nr AWB 02/1607, is ongegrond verklaard het beroep van
appellant tegen het op de aanvraag om een bruikleenauto door gedaagde in
bezwaar genomen besluit van 11 juni 2002 (het bestreden besluit).
Ten aanzien van de voor dit geding relevante feiten verwijst de Raad
naar rubriek I van de aangevallen uitspraak.
Ingevolge de artikelen 2, 3 en 5 van de Wvg, in samenhang met artikel
1.2, eerste lid, onder c, van de op die wet gebaseerde gemeentelijke
verordening (de Verordening) is gedaagde in het kader van zijn
zorgplicht voor onder meer vervoersvoorzieningen ten behoeve van in de
gemeente wonende gehandicapten bevoegd zich in beginsel te beperken tot
de verlening van de goedkoopste verantwoorde voorziening.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad ligt hierin besloten dat de
betrokkene met de hem toegekende voorziening in aanvaardbare mate moet
kunnen deelnemen aan het leven van alledag in de directe woon- en
leefomgeving. Bovenregionaal vervoer (waarvoor ten tijde in geding een
andere, niet tot de bevoegdheid van de gemeentebesturen behorende,
vervoersregeling bestond) valt in beginsel niet onder de gemeentelijke
zorgplicht ingevolge de Wvg. Dit laatste is anders indien duidelijk is
komen vast te staan dat sprake is van een dusdanig essentieel - enkel
ter plekke te onderhouden - bovenregionaal contact dat bij beknotting
daarvan sociaal isolement optreedt. Daarvan is niet gebleken. Ten tijde
in geding had appellant in en buiten zijn woonplaats diverse sociale
contacten en activiteiten (onder meer in de rolstoelsport en in
belangenorganisaties), wat door de rechtbank eerder was vastgesteld in
haar onherroepelijk geworden tussen partijen gewezen uitspraak van 18
december 2001 (reg.nr. 01/1502 WVG). Niet is gebleken van relevante
gewijzigde omstandigheden ten tijde van het thans bestreden besluit.
Voorts kon appellant door onder meer zijn broer en - incidenteel - door
zijn moeder thuis worden bezocht.
Uit het voorgaande volgt dat gedaagde in de gegeven situatie rechtens
tot niet meer is gehouden dan de verlening van de goedkoopste adequate
voorziening voor vervoer binnen de directe leefomgeving.
Blijkens de eindconclusie van de arts van het adviserend
indicatieorgaan, neergelegd in haar rapport van 29 januari 2002 en de
toelichting daarop van 6 februari 2002, is appellant medisch gezien niet
aangewezen op een eigen dan wel een in bruikleen verstrekte auto voor
verplaatsingen in de naaste omgeving. Nu het daarbij doorgaans om ritten
over betrekkelijk korte afstanden gaat wordt hij in elk geval in staat
geacht te reizen per individuele rolstoeltaxi, naast gebruikmaking van
de aan hem ter beschikking gestelde scootmobiel en handbewogen rolstoel.
Naar ter zitting is bevestigd reisde appellant ten tijde in geding
hoofdzakelijk met zijn eigen auto. Voor de kosten van de aanschaf en het
gebruik daarvan is hem ingevolge de Verordening achtereenvolgens een
eenmalige en een periodieke financiële tegemoetkoming toegekend; de
laatste bedroeg ten tijde in geding f 1500,-- per jaar.
Daarvan uitgaande is de afwijzing van de aangevraagde bruikleenauto,
gelet op de uit de toepasselijke regelgeving voortvloeiende reikwijdte
en rangorde van voor verlening vatbare voorzieningen, rechtmatig.
Appellant kon met de hiervoor genoemde - goedkopere - combinatie van
voorzieningen in aanvaardbare mate deelnemen aan het leven van alledag
in zijn directe leefomgeving. De Raad onderschrijft het oordeel en - in
grote lijnen - de motivering van de rechtbank en ziet geen aanleiding
voor een veroordeling in de proceskosten. Hetgeen in hoger beroep is
aangevoerd miskent de naar geldend recht ingevolge de Wvg en de
Verordening aan gedaagdes zorgplicht gestelde grenzen en bevat overigens
geen relevante aanknopingspunten om anders te oordelen dan de rechtbank.
De Raad beslist daarom als volgt.
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 29 juni 2005.
De fungerend voorzitter, M.I. ’t Hooft.
De plv. griffier, M. Pijper.
|
|