|
Uitspraak
03/4609 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante, wettelijk
vertegenwoordigd door [wettelijk vertegenwoordiger],
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
‘s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie
van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de
Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.
Namens appellante heeft mr. H. Oldenhof, advocaat te ’s-Gravenhage,
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 25 juli 2003, reg.nr. 02/4895 WVG, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 11 januari
2006, waar appellante en gedaagde - met voorafgaand bericht - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een weergave van de in dit geding relevante feiten, de in bezwaar
en beroep van de zijde van appellante aangevoerde grieven en de ten
tijde in geding van belang zijnde toepasselijke regelgeving verwijst de
Raad naar de aangevallen uitspraak.
Bij besluit van 1 november 2002 heeft gedaagde de bezwaren van
appellante tegen de besluiten van 5 juni 2002 waarbij de aanvragen van
appellante om een woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in
de verhuis- en herinrichtingskostenkosten en een tegemoetkoming in de
kosten van een overdekte stalling voor appellantes driewielfiets op
grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) en de
Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Den Haag (hierna:
Verordening) zijn afgewezen, ongegrond verklaard. Daarbij is voor wat
betreft de verhuis- en herinrichtingskosten aangegeven dat niet is
voldaan aan het criterium, zoals dat is vastgelegd in artikel 2.1,
eerste lid, sub a, van de Verordening, dat verhuisd wordt naar een
adequate woning. Voor wat betreft de stalling voor de driewielfiets ligt
onder verwijzing naar artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de
Verordening, aan het bestreden besluit ten grondslag dat de noodzaak
daarvoor ontbreekt en dat er geen sprake is van een rechtstreeks verband
met het opheffen of verminderen van beperkingen tengevolge van ziekte of
gebrek.
In dit geding is aan de orde de vraag of gedaagde terecht heeft
geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor tegemoetkomingen in
de verhuis- en herinrichtingskosten en de kosten van een stalling voor
een driewielfiets.
De rechtbank heeft die vraag in de aangevallen uitspraak bevestigend
beantwoord. De Raad verenigt zich met dit oordeel en onderschrijft de
daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Voor wat betreft de grief
van appellante dat de aanvraag voor een tegemoetkoming in de verhuis- en
herinrichtingskosten vanuit sociaal oogpunt gehonoreerd had dienen te
worden omdat appellante in de woonomgeving waarnaar toe verhuisd wordt
meer dan in de oude woonomgeving veilig kan buitenspelen en zij (mede
daardoor) contacten kan leggen en opbouwen met andere kinderen, verwijst
de Raad naar zijn uitspraak van 4 februari 2004, LJN AO3543
(gepubliceerd in USZ 2004/91). In die uitspraak heeft de Raad overwogen
dat het bij een woonvoorziening als de onderhavige gehanteerde criterium
van een medische noodzaak als aanvullend vereiste geldt dat van
beperkingen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van
de Wvg alleen dan sprake is, indien een rechtstreeks oorzakelijk verband
bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf
aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische
kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning, met dien
verstande dat die beperkingen in de toegankelijkheid van de woning zelf
moeten worden ondervonden. Daarvan is naar het oordeel van de Raad in
het onderhavige geval geen sprake.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat
het bestreden besluit in rechte stand houdt. De aangevallen uitspraak
komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter, en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van
R.L. Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 februari
2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|