|
Uitspraak
03/3040 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven van wijlen [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te
[woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede,
gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Arnhem van 16 mei 2003, reg.nr. 01/86 Wvg.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 9 juli 2005 heeft B. Boxman, wonende te Amsterdam, als
gemachtigde van appellanten op het verweerschrift gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2006, waar de
gemachtigde van appellanten - met voorafgaand bericht van verhindering
wegens ziekte - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door A. Klok, werkzaam bij de gemeente Ede.
II. MOTIVERING
Wijlen [betrokkene] (betrokkene) heeft op 31 januari 2000 bij gedaagde
in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een aanvraag
ingediend voor een tegemoetkoming in de aanschafkosten van een gesloten
buitenwagen.
Op 7 februari 2000 heeft zij zelf een gesloten buitenwagen van het merk
Canta aangeschaft.
Gedaagde heeft over de aanvraag advies gevraagd aan de GGD West-Veluwe/Vallei.
C. Reurich, arts bij deze GGD, heeft in haar advies van 23 februari 2000
op grond van haar onderzoek geconcludeerd dat betrokkene geen gebruik
kan maken van het systeem van collectief vervoer en evenmin van een
scootmobiel. Zij wordt wel in staat geacht voor afstanden binnen de
regio gebruik te maken van een taxi, maar indien betrokkene in staat wil
zijn zich zelfstandig in de omgeving te verplaatsen, dan is zij volgens
deze arts aangewezen op gesloten buitenvervoer.
Bij besluit van 17 maart 2000 heeft gedaagde de gevraagde voorziening op
grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening
voorzieningen gehandicapten gemeente Ede (Verordening) geweigerd, omdat
betrokkene reeds zelf een gesloten buitenwagen had aangeschaft.
Naar aanleiding van het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte
bezwaar heeft gedaagde de GGD nader advies gevraagd over de
mogelijkheden van betrokkene om na een oogoperatie weer te kunnen
autorijden. Tevens is een nadere onderbouwing gevraagd van de in het
eerdere advies neergelegde conclusie, dat betrokkene geen gebruik kan
maken van het collectief vervoer.
In het nadere advies van 1 augustus 2000 heeft de arts Reurich
aangegeven dat betrokkene op een wachtlijst staat voor behandeling aan
haar rechteroog en dat haar huidige gezichtsvermogen onvoldoende is om
auto te rijden. Door haar beperkte energetische belastbaarheid is het
voor betrokkene voorts onmogelijk om gebruik te maken van het collectief
vervoer.
Bij besluit van 6 november 2000 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 17 maart 2000 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten
grondslag dat een tegemoetkoming in het gebruik van een taxi de
goedkoopste adequate voorziening is. Betrokkene komt daarvoor echter
niet in aanmerking, omdat haar inkomen ligt boven de in de Verordening
bepaalde inkomensgrens waarboven ingevolge artikel 5, vierde lid, van de
Verordening geen taxikostenvergoeding wordt verstrekt. De in het besluit
van 17 maart 2000 opgenomen weigeringsgrond wordt niet meer gehandhaafd.
Op 5 augustus 2001 is betrokkene overleden.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 6 november 2000 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan ligt
ten grondslag dat appellanten geen belang hebben bij het voeren van de
procedure. Dat oordeel is gebaseerd op de mededelingen van de
gemachtigde van appellanten ter zitting van de rechtbank, dat de reden
van voortzetting van de procedure na het overlijden van betrokkene niet
zozeer is gelegen in het financiële belang, maar vooral is bedoeld om
de wijze van behandeling van de aanvraag en het bezwaar ter discussie te
stellen, en op de vaststelling dat gesteld noch gebleken is dat
appellanten als gevolg van het bestreden besluit schade hebben geleden.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd en gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd komt de Raad tot
de volgende beoordeling.
Ontvankelijkheid van het beroep in eerste aanleg
In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat zij niet hebben
gesteld dat hun financiële belang in het geheel niet van belang is
geweest voor de vraag of het beroep moest worden doorgezet. Zij hebben
daarbij een opgave gedaan van de kosten die verband houden met de
aanschaf en het gebruik van de op eigen kosten aangeschafte gesloten
buitenwagen. Over de periode van 7 februari 2000 tot 30 oktober 2000
betreft dit een bedrag van f 1.410,67.
Van de aanwezigheid van (voldoende) procesbelang dient volgens vaste
rechtspraak te worden uitgegaan als het resultaat dat de indiener van
het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft, ook
daadwerkelijk kan worden bereikt en aan het realiseren van dat resultaat
voor de indiener feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
Aan deze voorwaarden is in dit geval voldaan, nu betrokkene heeft
gevraagd om een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van
een gesloten buitenwagen en dit resultaat met de procedure zou kunnen
worden bereikt. De Raad heeft uit de gedingstukken, waarvan met name het
proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, niet kunnen afleiden dat
appellanten hun financiële belang bij voortzetting van de procedure na
het overlijden van betrokkene hebben prijsgegeven. De enkele mededeling
ter zitting dat zij vooral principiële bezwaren hebben, is daarvoor
onvoldoende.
De rechtbank heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk
verklaard, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in
aanmerking komt.
De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van
de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden
teruggewezen. In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen
nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die
vraag ontkennend.
Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Raad ten
aanzien van het beroep tegen het besluit op bezwaar van 6 november 2000
het volgende.
Horen in bezwaar
Uit het van de hoorzitting opgemaakte verslag blijkt dat betrokkene daar
niet is verschenen of is vertegenwoordigd. Het dossier bevat geen
gegevens over een schriftelijke of telefonische afzegging door
betrokkene of haar gemachtigde B. Boxman.
De gemachtigde van betrokkene heeft direct na ontvangst van het besluit
op bezwaar aan gedaagde medegedeeld dat hij nooit is uitgenodigd om een
hoorzitting over het gemaakte bezwaar bij te wonen. Ook in beroep is
aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om in bezwaar te
worden gehoord. Gedaagde heeft hierop verwezen naar de schriftelijke
uitnodiging voor het bijwonen van een hoorzitting op 27 oktober 2000,
welke uitnodiging volgens gedaagde op 12 oktober 2000 is verzonden. De
gemachtigde ontkent echter deze te hebben ontvangen, evenals de
bijbehorende stukken.
Naar het oordeel van de Raad is de ontvangst van de uitnodiging om de
hoorzitting bij te wonen, mede gelet op de overige gedingstukken, niet
ongeloofwaardig betwist, zodat het aan gedaagde is om de ontvangst
aannemelijk te maken. Gedaagde is daarin niet geslaagd. De brief die op
12 oktober 2000 zou zijn verzonden is niet aangetekend verstuurd dan wel
met een bericht van ontvangstbevestiging. Nu ook anderszins niet is
gebleken dat die brief daadwerkelijk naar het adres van de gemachtigde
van betrokkene is verzonden en daar is bezorgd, moet de Raad ervan
uitgaan dat de brief door de gemachtigde van betrokkene niet is
ontvangen. Dit impliceert dat gedaagde, in strijd met artikel 7:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), betrokkene niet in de gelegenheid
heeft gesteld te worden gehoord voordat op het bezwaar is beslist.
Inhoudelijke beoordeling besluit op bezwaar
Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening, voor zover hier van belang,
kan de door gedaagde te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit:
a. een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer;
b. een voorziening in natura, in de vorm van het ter beschikking stellen
van:
(...)
2. een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;
(...)
c. een tegemoetkoming of vergoeding in de kosten van:
(...)
5. aanschaf van een ander verplaatsingsmiddel.
In de toelichting op de Verordening is vermeld dat een gesloten
buitenwagen kan worden verstrekt als aanvulling op het gebruik van het
collectief vervoer of op een taxi- of autokostenvergoeding. Het gaat
hier - aldus de toelichting - om vervoermiddelen die voorzien in de
vervoersbehoefte op de korte afstand, in de directe omgeving van de
eigen woning. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde
verklaard dat onder “ander verplaatsingsmiddel” als bedoeld in
artikel 3.1, onder c, onderdeel 5, van de Verordening ook een gesloten
buitenwagen kan worden begrepen.
Op grond van de rapporten van de GGD stelt de Raad vast dat betrokkene
een loopafstand had van slechts 20 meter, zodat vastgesteld kan worden
dat zij voor haar vervoersbehoefte op de korte afstand was aangewezen op
een extra voorziening naast de voor haar geïndiceerde
taxikostenvergoeding, waarvoor zij echter wegens overschrijding van de
inkomensgrens niet in aanmerking is gebracht. Dit aspect is zowel door
de GGD als door gedaagde niet onderkend. Niet is gebleken dat betrokkene
geen behoefte had aan korteafstandsvervoer. Het feit dat zij om een
gesloten buitenwagen heeft gevraagd duidt eerder op het tegendeel. Nu de
Verordening voor het korteafstandsvervoer zowel de verschaffing in
bruikleen van een gesloten buitenwagen als een tegemoetkoming in de
aanschafkosten daarvan mogelijk maakt en hiervoor geen inkomensgrens
geldt, komt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 6 november
2000, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, ondeugdelijk
is gemotiveerd.
Conclusie ten aanzien van het beroep in eerste aanleg
Gelet op het voorgaande dient het beroep tegen het besluit van 6
november 2000 gegrond te worden verklaard en dient dit besluit wegens
strijd met de artikelen 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb te worden
vernietigd.
Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming
van deze uitspraak. Nu de verstrekking van een gesloten buitenwagen in
natura niet meer aan de orde is wegens het overlijden van betrokkene en
de door haar aangeschafte gesloten buitenwagen kort na haar overlijden
weer is verkocht, geeft de Raad gedaagde in overweging de - nadere -
besluitvorming toe te spitsen op de door appellanten opgegeven
kostenposten, die resulteren in een bedrag van f 1.410,67.
Proceskosten
De Raad is niet gebleken dat betrokkene of appellanten proceskosten
hebben gemaakt, zodat er geen aanleiding is voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 6 november 2000;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Bepaalt dat de gemeente Ede aan appellanten het in beroep en in hoger
beroep betaalde griffierecht van in totaal € 147,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. G.M.T.
Berkel-Kikkert en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van
mr. M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart
2006.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) M. Renden.
|
|