|
Uitspraak
meervoudige kamer 03/6184 WVG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 november 2003,
02/1422 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht
(hierna: College).
Datum uitspraak: 4 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.H.M.Ch. Libotte, advocaat te Maastricht,
hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2006.
Appellant, bijgestaan door mr. F.Y. Gans, kantoorgenoot van mr. Libotte,
is - met zijn echtgenote [P. V.] - verschenen. Het College heeft zich
laten vertegenwoordigen door L.B.W. Heutz, werkzaam bij de gemeente
Maastricht.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die rolstoelgebonden is, heeft op 29 februari 2000 bij het
College een verzoek om schadevergoeding ingediend in verband met een
aantal onjuist uitgevoerde aanpassingen van zijn woning. Appellant heeft
de gestelde schade geschat op f 900,-- aan telefoonkosten en op f 48.000,-- wegens gederfde
levensvreugde. Omdat appellant van het College geen reactie kreeg, heeft
hij bij brief van 5 april 2002 verwezen naar het verzoek van 29 februari
2000. Daarbij heeft hij het bedrag van de gevorderde schadevergoeding,
voor onder meer gederfde levensvreugde en gederfd woongenot gedurende 54
maanden, nader bepaald op € 48.000,-- (f 105.800,--). Appellant heeft
zich op het standpunt gesteld dat het College als opdrachtgever tekort
is geschoten in het uitoefenen van toezicht op de uitvoering van de
aanpassingen en dat de door hem geleden schade het rechtstreekse gevolg
is van onoordeelkundig uitgevoerde verbouwingen. Nadien heeft appellant
het bedrag aan gevorderde schadevergoeding verhoogd tot € 50.511,87.
Bij brief van 3 juli 2002 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet
tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om schadevergoeding van 5
april 2002. Vervolgens heeft appellant op 20 september 2002 beroep
ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar
tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om
schadevergoeding.
Het College heeft bij besluit van 23 januari 2003 het verzoek om
schadevergoeding afgewezen op de grond dat geen sprake is van een
onrechtmatige rechtshandeling als gevolg waarvan appellant schade zou
hebben geleden. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 21 juli 2003 heeft het College het bezwaar tegen het
niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om schadevergoeding
gegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2003
ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 21 juli
2003 voor zover dat ziet op het niet tijdig nemen van een besluit op het
verzoek om schadevergoeding gegrond verklaard, het besluit van 21 juli
2003 in zoverre vernietigd en het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk
verklaard. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig
nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep
tegen het besluit van 21 juli 2003 voor zover daarbij de afwijzing van
het verzoek om schadevergoeding is gehandhaafd, heeft de rechtbank
ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd voor zover daarbij het besluit van 21 juli 2003 in
stand is gelaten.
De Raad ziet zich - ambtshalve - gesteld voor de vraag naar de
ontvankelijkheid van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23
januari 2003.
De Raad stelt allereerst vast dat het besluit van 23 januari 2003
betrekking heeft op de vergoeding van - beweerde - schade die door het
College veroorzaakt zou zijn in het kader van de uitoefening van een aan
het publiekrecht ontleende bevoegdheid, te weten het uitoefenen van
toezicht op een juiste uitvoering van de aanpassingen aan de woning van
appellant. De Raad is van oordeel dat deze bevoegdheid in het
onderhavige geval op een publiekrechtelijke grondslag berust, nu deze
aanpassingen de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten
(hierna: Wvg) betreffen en voor het houden van toezicht in het bijzonder
grondslag wordt gevonden in artikel 2.16 van de Verordening
voorzieningen gehandicapten van de gemeente Maastricht, waarin is
bepaald dat de gereedmelding van een woningaanpassing aan het College
vergezeld dient te gaan van een verklaring dat is voldaan aan de
voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend.
De Raad stelt vervolgens echter vast dat zowel het uitvoeren van deze
aanpassingen, indien dit onder verantwoordelijkheid van het College
geschiedt, als het uitoefenen van toezicht daarop moet worden aangemerkt
als feitelijk handelen van het College aangezien daarmee als zodanig
geen wijziging wordt gebracht in de bestuursrechtelijke rechtsbetrekking
van appellant en het College. Van enig door het College in dit verband
genomen besluit is geen sprake. Het - beweerde - schadeveroorzakende
handelen is derhalve, gelet op de artikelen 8:1 en 7:1, eerste lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), niet vatbaar voor bezwaar
en vervolgens beroep bij de bestuursrechter. Daarmee is gegeven dat in
het voorliggende geval niet is voldaan aan het volgens vaste rechtspraak
te stellen vereiste van processuele connexiteit. Dit betekent dat het
College, in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb, ten
onrechte een inhoudelijke beslissing heeft genomen op het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 23 januari 2003.
In plaats daarvan had het College het bezwaar niet-ontvankelijk moeten
verklaren.
De rechtbank heeft dit alles niet onderkend. De Raad zal daarom de
aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - vernietigen, het
beroep tegen het besluit van 21 juli 2003 gegrond verklaren, dat besluit
vernietigen en het bezwaar tegen het besluit van 23 januari 2003
niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten
van appellant in beroep en hoger beroep. De vergoeding van de
proceskosten in beroep is door de rechtbank in de aangevallen uitspraak
vastgesteld op € 80,50 (0,25 x € 322,--) wegens verleende rechtsbijstand. De nog te vergoeden
proceskosten in beroep worden door de Raad met inachtneming hiervan
begroot op € 563,50 (0,75 x € 322,-- + € 322,--). De proceskosten
in hoger beroep worden begroot op € 644,--, eveneens wegens rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 juli 2003 voor zover daarbij is beslist op
het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 januari 2003;
Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag
van € 1.207,50, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellant het in hoger beroep
betaalde griffierecht van € 87,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van
Male en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 4 april 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|