|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/3416 WVG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 17 mei 2004, reg. nr.
03/792 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen
(hierna: College).
Datum uitspraak: 5 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft drs. J. Jansen hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2006.
Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten
vertegenwoordigen door A. Harms, werkzaam bij de gemeente Hoogeveen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een weergave van de in dit geding relevante feiten, de in bezwaar
en beroep van de zijde van appellant aangevoerde grieven en de van
toepassing zijnde regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen
uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit op bezwaar van 25 juli 2003 heeft het College gehandhaafd
zijn besluit van 5 maart 2003 waarbij de aanvraag van appellant om in
aanmerking te worden gebracht voor een vervoersvoorziening in de vorm
van een gesloten buitenwagen overeenkomstig het in dat kader door
Argonaut B.V. opgestelde advies van 29 januari 2003 is afgewezen. Het
College stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een
aantoonbare beperking als gevolg van ziekte of gebrek die het gebruik
van het collectief vervoer onmogelijk maakt, zodat appellant niet in
aanmerking komt voor de gevraagde voorziening.
In dit geding is aan de orde de vraag of het College terecht heeft
geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een gesloten
buitenwagen.
De rechtbank heeft die vraag in de aangevallen uitspraak bevestigend
beantwoord. De Raad verenigt zich met dit oordeel en onderschrijft de
daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Met de rechtbank is de Raad
van oordeel dat de aan de weigering ten grondslag gelegde medische
advisering qua wijze van totstandkoming en motivering een toereikende
basis vormt voor de daaraan door het College verbonden conclusie dat
appellant medisch gezien in staat moet worden geacht gebruik te maken
van het in de gemeente Hoogeveen fungerende collectief vervoer. Daarbij
heeft de Raad tevens in aanmerking genomen dat blijkens mededeling van
het College ter zitting appellant in december 2005 op eigen verzoek een
deelnamepas voor dat vervoer is toegekend waarmee appellant alsnog
gebruik is gaan maken van dat vervoer. De Raad is voorts niet gebleken
van bijzondere omstandigheden die het College hadden moeten leiden tot
toepassing van de hardheidclausule, zodat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt. Voor een veroordeling in de proceskosten
ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken
in het openbaar op 5 april 2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
|
|