|
Uitspraak
meervoudige kamer 03/2514 WVG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Noorder-Koggenland (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 april 2003, 02/154
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna betrokkene).
Datum uitspraak: 24 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere informatie
verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2005.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Reijnen en J.
van Wuijckhuijse, beiden werkzaam bij de gemeente Noorder-Koggenland.
Betrokkene is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Toepasselijke algemeen verbindende voorschriften
Artikel 2, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna:
Wvg) bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van -
onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het
maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten.
Ingevolge artikel 3 van de Wvg dienen deze voorzieningen verantwoord,
dat wil zeggen: doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht, te zijn.
In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het
gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Wvg is
bepaald, bij verordening daartoe regels dient vast te stellen. Ter
uitvoering hiervan heeft de raad van de gemeente Noorder-Koggenland de
Verordening Voorzieningen Gehandicapten (hierna: Verordening)
vastgesteld.
Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder 1, van de Verordening kan de door
burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening bestaan
uit een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer
en ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder 3, van de Verordening uit een
financiële tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten van een taxi
of een eigen auto.
Artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat een gehandicapte
voor een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1 van de
Verordening in aanmerking kan worden gebracht, wanneer aantoonbare
beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar
vervoer of het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken.
Feiten
In het vervoersgebied Noord-Kennemerland en West-Friesland, waarin de
gemeente Noorder-Koggenland is gelegen, functioneert naast het
gebruikelijke openbaar (lijn)vervoer de zogeheten OV-Taxi Noord-Holland,
een deeltaxi die voor eenieder toegankelijk is. De OV-taxi haalt, op
aanvraag, binnen het vervoersgebied personen op en zet deze af op elke
gewenste plaats, waaronder bushaltes en treinstations. Op de stations
Alkmaar, Den Helder en Hoorn staat de OV-Taxi in beginsel klaar voor het
station. Personen die gebruik maken van de OV-Taxi, betalen het aantal
openbaarvervoerzones waarover zij reizen. Er zijn drie tarieven: het Wvg-tarief (€ 0,50 voor één zone, € 0,75 voor twee zones en
oplopend tot € 3,-- voor zes zones), het OV-tarief (€ 2,40 voor één
of twee zones en oplopend tot € 12,-- voor zes zones) en het
reductietarief (€ 1,50 voor één of twee zones en oplopend tot €
8,50 voor zes zones). Voor een rit van zeven zones of meer wordt voor
elke extra zone onder het Wvg-tarief € 3,-- gerekend en onder het
OV-tarief en het reductietarief € 5,--. Het Wvg-tarief geldt voor
houders van een OV-taxipas, het reductietarief voor kinderen van 4 t/m
11 jaar, 65-plussers en houders van een OV-jaarkaart, en het OV-tarief
voor alle overige personen.
Betrokkene heeft, onder meer in verband met door haar te bezoeken
bestemmingen in de - tot het vervoersgebied van de OV-Taxi behorende -
gemeente Hoorn, appellant verzocht haar in aanmerking te brengen voor
een vervoersvoorziening in de vorm van een OV-Taxipas.
Naar aanleiding hiervan heeft H.J. Menger, arts bij de GGD
West-Friesland, op verzoek van appellant een sociaal-medisch advies
uitgebracht. In dit advies, vastgesteld op 12 september 2001, is
aangegeven dat de maximale loopafstand van betrokkene ongeveer 500 meter
bedraagt, waardoor zij niet in staat is om de dichtstbijzijnde bushalte
te bereiken. Voorts kan betrokkene beperkt staan, zodat het voor haar
bezwaarlijk is om op vervoer te staan wachten. Vervolgens heeft
appellant bij Menger nagevraagd of betrokkene medisch gezien in staat is
in en uit een bus te stappen. Nadat Menger had aangegeven daar geen
beperkingen te zien, heeft appellant bij besluit van 11 oktober 2001 de
aanvraag van betrokkene om een OV-Taxipas afgewezen op de grond dat niet
is gebleken dat zij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
Naar aanleiding van het door betrokkene tegen het besluit van 11 oktober
2001 gemaakte bezwaar heeft Menger op 29 november 2001 desgevraagd
opnieuw advies aan appellant uitgebracht. Hierin is aangegeven dat lange
wachttijden betrokkene rugklachten opleveren en dat het in- en
uitstappen haar moeite kost, maar dat zij medisch gezien gebruik kan
maken van de combinatie OV-Taxi en lijnbus, zodat er geen indicatie is
voor de gevraagde vervoersvoorziening. Vervolgens heeft appellant bij
besluit van 17 januari 2002, in afwijking van het advies van de Commissie voor de
bezwaar- en beroepschriften, het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant
heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat bij betrokkene geen
sprake is van de - ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening
voor toekenning van een vervoersvoorziening vereiste - beperkingen die
het gebruik van het openbaar vervoer, te weten de combinatie OV-Taxi en
lijnbus, onmogelijk maken. Daartoe is het volgende overwogen:
"Daar waar door de commissie wordt gesteld dat de OV-Taxi, naast het lijngebonden openbaar vervoer niet als openbaar
vervoer zou functioneren, merken wij op dat de OV-taxi wel degelijk als
een normale vorm van openbaar vervoer dient te worden aangemerkt. Deze
vorm van openbaar vervoer van deur tot deur is opgezet door de provincie
en garandeert in dit verband een tijdig kunnen overstappen, c.q. directe
aansluiting op een openbaar vervoersysteem bij een (ster)halte c.q. (trein-bus)station.
Eenieder kan dan ook gebruik maken van deze vorm van openbaar vervoer en
aansluitend overstappen op het openbaar lijnvervoer.
Een gehandicapte kan echter dermate beperkingen ondervinden bij het
in-uit-en overstappen bij het (lijngebonden) openbaar vervoer dat
hiervan in redelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt. In deze
gevallen voorziet de Wvg in de afgifte van een Wvg-pas OV-Taxi.
In uw geval geeft het tweede GGD-advies duidelijk aan dat er medisch
gezien geen redenen zijn die het gebruik van het (lijngebonden) openbaar
vervoer onmogelijk maken c.q. het in- en uitstappen (…) belemmeren,
zodat geen aanleiding bestaat de gevraagde kortingspas af te
geven."
Aangevallen uitspraak
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling
omtrent het griffierecht - het beroep tegen het besluit van 17 januari
2002 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen
een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar
uitspraak.
Naar het oordeel van de rechtbank komt de conclusie in het tweede
GGD-advies dat betrokkene wel gebruik zou kunnen maken van de combinatie
OV-Taxilijnbus, zonder nadere motivering in strijd met de bevinding in
het eerste GGD-advies dat het staan wachten op vervoer voor betrokkene
bezwaarlijk is. Betrokkene moet immers, zowel tijdens de heen- als de
terugreis, wachten op de lijnbus respectievelijk de OV-Taxi. Voorts
heeft de rechtbank overwogen dat het vervoer met de OV-Taxi niet steeds
tevens als openbaar vervoer in de zin van artikel 3.2, eerste lid, van
de Verordening kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft daaraan de
conclusie verbonden dat appellant de gevraagde vervoersvoorziening niet
aan betrokkene had mogen weigeren.
Voor een proceskostenveroordeling heeft de rechtbank geen aanleiding
gezien, nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende
kosten van betrokkene.
Beoordeling
Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd
komt de Raad tot de volgende beoordeling.
De Raad volgt appellant in zijn standpunt dat de adviezen van de GGD
niet met elkaar in strijd zijn. In het eerste advies is slechts
aangegeven welke de beperkingen van betrokkene zijn en in hoeverre deze
haar belemmeren om gebruik te maken van het openbaar lijn(bus)vervoer.
In het tweede advies worden die beperkingen nog steeds aanwezig geacht,
doch is vervolgens aangegeven dat deze kunnen worden ondervangen door
gebruik te maken van de OV-Taxi. De Raad acht deze, door appellant
overgenomen, vaststelling ook juist. Daarvoor is in het bijzonder van
belang dat appellant onweersproken heeft gesteld dat de OV-Taxi
aankomstgaranties geeft, waardoor de wachttijden op de overstaphaltes
overzienbaar zijn. Voorts is van belang dat betrokkene heeft aangegeven
ook gebruik te maken van de combinatie OV-Taxitrein, waarbij eveneens
sprake is van een zekere wachttijd voor vertrek en na aankomst. Hieruit
volgt dat appellant zich niet ten onrechte op het standpunt heeft
gesteld dat bij betrokkene geen sprake is van beperkingen die het
gebruik van de combinatie OV-Taxilijnbus onmogelijk maken.
De Raad volgt appellant eveneens in zijn standpunt dat onder het begrip
“openbaar vervoer” in artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening
tevens de OV-Taxi moet worden begrepen. Dat de gemeentelijke regelgever
dit ook uitdrukkelijk heeft bedoeld, blijkt uit de toelichting bij
artikel 3.2 van de Verordening:
"(...) door de formulering van dit artikel is bepaald,
dat louter de aantoonbare beperkingen van de gehandicapte in relatie tot
de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend zijn voor de
vraag of, en zo ja, in hoeverre de gehandicapte in aanmerking komt voor
een voorziening ter zake.
Is het (lijngebonden) openbaar vervoer c.q. de Openbaar Vervoer Taxi
Noord-Holland voor iemand met een functionele beperking niet
toegankelijk, dan heeft de belanghebbende ten behoeve van de deelneming
aan het maatschappelijk verkeer recht op een vervoersvoorziening."
De Raad leidt hieruit af dat de gemeentelijke regelgever heeft beoogd
dat indien een gehandicapte geen gebruik kan maken van het openbaar
vervoer (lijnvervoer en OV-Taxi) of van een gedeelte daarvan (in dat
geval: het lijnvervoer, omdat de transfer niet kan worden gemaakt),
toekenning van een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 3.1,
eerste lid, aanhef en onder 1 of 3, van de Verordening is aangewezen.
Als gevolg daarvan hoeft deze gehandicapte geen gebruik meer te maken
van het openbaar lijnvervoer en kan deze tegen het Wvg-tarief voor het
gehele vervoer de OV-Taxi gebruiken.
De grieven van appellant slagen derhalve.
Niettemin dienen de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging
van het besluit van 11 februari 2002 op grond van de volgende
overwegingen in stand te worden gelaten.
Betrokkene heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat zij, als
gevolg van haar beperkte maximale loopafstand, onoverkomelijke problemen
ondervindt bij het bereiken van de dichtstbijzijnde bushalte. Daarbij
gaat het niet om de bushalte die het dichtst bij haar woning is gelegen;
de afstand van haar woning tot de halte van buslijn 37 (die naar Hoorn
rijdt) is niet meer dan 100 meter en deze afstand kan zij te voet
afleggen. De door haar in Hoorn te bezoeken bestemmingen zijn echter op
veel grotere afstanden van de dichtstbijzijnde bushalte gelegen, zodat
zij deze niet te voet kan bereiken.
De Raad stelt vast dat het door de gemeentelijke regelgever tot stand
gebrachte stelsel meebrengt dat een gehandicapte die, vanwege zijn
beperkte actieradius, belemmeringen ondervindt in het te voet of per
fiets bereiken van de voor de deelname aan het leven van alledag van
belang zijnde bushaltes, in voorkomend geval alleen gebruik kan maken
van het lijndienstvervoer als hij eerst per OV-Taxi naar of van de
dichtstbijzijnde bushalte wordt vervoerd. Voor dat, doorgaans tot een of
enkele zone(s) beperkte, gebruik van de OV-Taxi moet die gehandicapte
het volle tarief betalen. Daardoor wordt hij, in zoverre, voor
meerkosten gesteld in vergelijking met een persoon die zulke afstanden
van en naar een bushalte volledig te voet of per fiets kan afleggen.
Naar het oordeel van de Raad moet, gelet hierop, worden gezegd dat de
Verordening in zoverre in strijd komt met de verplichting van het
gemeentebestuur zorg te dragen voor een verantwoorde voorziening als
bedoeld in artikel 3 van de Wvg.
Van een verantwoorde voorziening zou naar het oordeel van de Raad in een
geval als het onderhavige wel sprake zijn als betrokkene, voor de hier
bedoelde (doorgaans korte) afstanden naar de dichtstbijzijnde
opstapplaatsen voor bus of trein, gebruik zou kunnen maken van de
OV-Taxi tegen het Wvg-tarief.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, met verbetering
van de gronden, moet worden bevestigd. Dit betekent dat appellant met
inachtneming (ook) van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen,
een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene dient te nemen.
De Raad ziet geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van
betrokkene om appellant te veroordelen in de reiskosten die betrokkene
in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft
moeten maken, nu niet is gebleken dat zij de rechtbank hierom heeft
verzocht. Van kosten die betrokkene in verband met de behandeling van
het hoger beroep heeft moeten maken, is evenmin gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van de gemeente Noorder-Koggenland een griffierecht van €
414,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en G.M.T.
Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken
in het openbaar op 24 mei 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
|
|