|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2648 WVG en 04/2649 WVG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2004, 03/2395
+ 04/63 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het bestuur van het gemeenschappelijk orgaan Regionale Organisatie
Gehandicapten Nieuwe Waterweg Noord, gevestigd te Maassluis (hierna:
ROG).
Datum uitspraak: 9 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen,
hoger beroep ingesteld. Het ROG heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006, waar
namens appellante, met voorafgaand bericht, niemand is verschenen. Het
ROG heeft zich laten vertegenwoordigen door I. de Vries-Kromhout,
werkzaam bij het gemeenschappelijk orgaan Regionale Organisatie
Gehandicapten Nieuwe Waterweg Noord.
II. OVERWEGINGEN
De Raad verwijst, gelet op de inhoud van de gedingstukken, naar de
aangevallen uitspraak voor een weergave van de feiten, de standpunten
van partijen in eerste aanleg, de onderzoeksrapporten van de door het
ROG geraadpleegde medisch adviseurs van ZVN Advies NV (ZVN), Argonaut BV
en de GGD, alsmede de op verzoek van appellante opgestelde verklaringen
van O. Schreuder, orthopedisch chirurg en medisch adviseur, van 15
september 2003 en 26 januari 2004. Voor een uitgebreid overzicht van de
toepasselijke regelgeving in het kader van de wet voorzieningen
gehandicapten (Wvg) verwijst de Raad naar de in eerste aanleg en in
hoger beroep ingediende verweerschriften.
Hier wordt volstaan met het volgende.
Het ROG heeft bij besluit van 28 mei 2003 aan appellante, die onder meer
de beschikking heeft over een elektrische rolstoel en een handbewogen
rolstoel, een financiële tegemoetkoming toegekend voor het gebruik van
een individuele rolstoeltaxibus. Daarin kunnen - desgewenst - naast de
gehandicapte circa 5 gezinsleden mee. Tegen dat besluit is geen bezwaar
gemaakt. Vanwege appellante is ter zitting van de rechtbank aangegeven
dat
de door haar ontvangen tegemoetkoming adequaat is.
Bij de bestreden besluiten van 5 augustus 2003 en 19 december 2003 heeft
het ROG met toepassing van onder meer artikel 3.4.a van het Besluit
verstrekking woon- en vervoersvoorzieningen gehandicapten Nieuwe
Waterweg Noord (het Besluit) en artikel 3.2 van de op artikel 2 van de
Wvg gebaseerde Verordening voorzieningen gehandicapten Nieuwe Waterweg
Noord (de Verordening), vastgehouden aan de weigering appellante in
aanmerking te brengen voor de door haar gevraagde bruikleenauto en
autoaanpassing.
Het ROG acht in het spoor van de door de geneeskundigen van de GGD en de
arts Van der Ham van Argonaut BV uitgebrachte adviezen de toegekende
individuele taxikostenvergoeding voor appellante een adequate
vervoersvoorziening.
De rechtbank heeft het ingestelde beroep tegen de besluiten van 5
augustus 3003 en 19 december 2003 ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, lettend op de
in de aangevallen uitspraak vermelde regelgeving en jurisprudentie van
de Raad in het kader van de Wvg, voorop gesteld dat een
vervoersvoorziening ingevolge de Wvg een zodanige tegemoetkoming aan
appellante dient te bieden dat zij nog in aanvaardbare mate kan
deelnemen gaat niet zo ver dat rekening moet worden gehouden met alle
wensen op het gebied van sociaal verkeer en recreatie. Daarvan uitgaande
heeft de rechtbank, evenals gedaagde, beslissend gewicht toegekend aan
de eensluidende en met inachtneming van de toepasselijke criteria van
de Wvg tot stand gekomen adviezen van 11 april 2003, 15 mei 2003 en 2 oktober 2003 van de geneeskundigen Baban en
Spanjersberg van de GGD en Van der Ham van Argonaut BV. Die artsen zijn
op grond van hun bevindingen unaniem tot de conclusie gekomen dat
appellante in staat is met een individuele rolstoeltaxi te reizen en dat
- onder andere - zulk een vervoersvoorziening voor haar adequaat is. Aan
die slotsom doet naar het oordeel van de rechtbank het herziene advies
van 20 februari 2003 (met toelichting van 16 april 2003) van de
geneeskundige Shadid-Moon Sammy geen afbreuk. Die arts acht een
individuele rolstoeltaxi niet adequaat gezien de wens van appellante
gezinsuitstapjes te maken per eigen aangepaste rolstoelbus en de gerede
kans op depressieve klachten bij het onvervuld blijven van die wens.
De rechtbank heeft in dit verband van groter belang geacht dat uit de
bevindingen van de sociaal geneeskundige Spanjersberg en de overige
door het ROG geraadpleegde artsen niet blijkt van relevante
(psychiatrische)
beletselen om met een individuele rolstoeltaxi te reizen. Voorts heeft
de rechtbank, naar uit de aangevallen uitspraak valt af te leiden, aan
de beide brieven van de arts Schreuder niet het gewicht toegekend dat
appellante daaraan hecht, onder meer omdat die arts appellante niet
heeft gezien en uit zijn brieven niet blijkt dat hem de - beperkte -
reikwijdte van de zorgplicht ingevolge de Wvg en de specifieke
faciliteiten van een individuele rolstoeltaxi voor ogen hebben gestaan.
Een en ander heeft de rechtbank tot de slotsom gebracht, voor zover hier
van belang, dat de eerder aan appellante toegekende tegemoetkoming voor
het gebruik van een individuele rolstoeltaxi ook ten tijde hier in
geding voor haar een adequate vervoersvoorziening is in de zin van de
Wvg.
In hoger beroep heeft appellante - in essentie - aangevoerd dat de
rechtbank, evenals het ROG, onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de
medische adviezen van de artsen Shadid-Moon Sammy en Schreuder. Zij
benadrukt dat, met name gelet op die adviezen, individueel
rolstoeltaxivervoer voor appellante geen adequate vervoersvoorziening
is.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 3.2 van de Verordening en artikel 3.4.a van het
Besluit kan appellante slechts dan voor een bruikleenauto en
autoaanpassing in aanmerking komen indien de in die bepalingen genoemde
andere vervoersvoorzieningen, zoals collectief vervoer of een financiële
tegemoetkoming voor het gebruik van een individuele (rolstoel)taxi, geen
adequate oplossing bieden. Laatstbedoelde situatie doet zich in het
geval van appellante niet voor. Gelet op de ter beschikking staande
medische en andere gegevens onderschrijft de Raad de strekking van de
hiervoor vermelde overwegingen van de rechtbank. Voor dit oordeel vindt
de Raad bijkomende steun in de conclusie van de medisch adviseur H.W. van Schie, die appellante in het kader van een medische hercontrole
in bijzijn van haar echtgenoot en de vier thuiswonende kinderen heeft
onderzocht. De slotsom van zijn rapport van 14 september 2004 luidt,
naar door het ROG ter zitting is toegelicht, dat appellante zowel in een
gewone auto (mits voorzien van een vierpuntsgordel en een draaibare
stoel) als in een rolstoeltaxi kan worden vervoerd.
In hetgeen vanwege appellante in hoger beroep is aangevoerd - goeddeels
een herhaling van haar eerdere grieven terzake van het door het ROG
toegekende gewicht aan de aanwezige medische adviezen - ziet de Raad
geen aanknopingspunt voor een ander oordeel.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond
heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking komt.
De Raad ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor een
proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en G.M.T.
Berkel-Kikkert en A.W.M. Bijloos als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 9 juni 2006.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
|
|