|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/200
WVG en 06/201 WVG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante 1] en [appellante 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 november
2005, 05/2979 en 05/3328 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
’s-Gravenhage (hierna: College).
Datum uitspraak: 2 mei 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. J.J.M. Brouwer, advocaat te
’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2007.
Aanwezig waren mr. Brouwer en de wettelijke vertegenwoordiger van
[appellante 2], haar moeder [naam moeder van appellanten]. Het College
heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellanten, de zussen [appellante 1] en [appellante 2], zijn beiden
meervoudig gehandicapt. [appellante 1] is geboren [in] 1986 en
[appellante 2] [in] 1995. Zij wonen, met twee minderjarige broers, bij
hun alleenstaande moeder [naam moeder van appellanten].
Op 10 maart 2004 hebben appellanten op grond van het bepaalde bij en
krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een
vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een bruikleenauto.
Argonaut B.V. (hierna: Argonaut) heeft op 2 april 2004 en op 27 april
2004 adviezen uitgebracht. In deze adviezen is aangegeven dat er geen
medische indicatie is voor een bruikleenauto, maar wel voor collectief
aanvullend openbaar vervoer.
Bij afzonderlijke besluiten van 10 juni 2004 heeft het College, onder
verwijzing naar de indicatierapporten van Argonaut van 2 april 2004 en
27 april 2004, de aanvragen van appellanten afgewezen.
Bij bezwaarschriften van 30 juni 2004 en 7 juli 2004 (aangevuld bij
brieven van 10 augustus 2004 en 12 augustus 2004), gericht tegen de
afzonderlijke besluiten van 10 juni 2004, is namens appellanten
aangevoerd dat collectief aanvullend openbaar vervoer geen adequate
oplossing is voor appellanten en dat op grond van de aanwezige sociale
factoren een bruikleenauto geïndiceerd is.
Bij afzonderlijke besluiten van 5 april 2005 heeft het College de
bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 10 juni 2004 ongegrond
verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat collectief
aanvullend openbaar vervoer met begeleiding van appellanten de
goedkoopste adequate vervoersvoorziening is. Daarbij is aangegeven dat
appellanten in aanmerking kunnen komen voor een financiële
tegemoetkoming in de kosten van de noodzakelijke begeleiding.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van
appellanten tegen de besluiten van 5 april 2005 ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd. Zij hebben, evenals in beroep, aangevoerd dat de
besluitvorming onzorgvuldig is voorbereid, dat collectief aanvullend
openbaar vervoer, gezien de moeilijke situatie waarin zij zich bevinden,
geen adequate voorziening is, en dat zij in elk geval met toepassing van
de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 8.1 van de Verordening
voorzieningen gehandicapten 1994 (hierna: Verordening) in aanmerking
komen voor verstrekking van een bruikleenauto.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder b.1, in verbinding met artikel
3.2, tweede lid, onder 1, van de Verordening kan een gehandicapte voor
een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto in aanmerking
worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of
gebrek het gebruik van het collectief systeem van vervoer onmogelijk
maken.
Het College heeft zijn standpunt dat appellanten in staat zijn onder
begeleiding gebruik te maken van een collectieve vervoersvoorziening en
derhalve niet in aanmerking komen voor de verstrekking van een auto in
bruikleen, gebaseerd op de door Argonaut uitgebracht adviezen.
Appellanten hebben aangevoerd dat deze adviezen onzorgvuldig tot stand
zijn gekomen, nu uit deze adviezen niet blijkt dat de gehele
gezinssituatie in aanmerking is genomen en appellanten niet door
dezelfde arts zijn onderzocht. De Raad kan appellanten in deze grief
niet volgen, nu uit beide adviezen blijkt dat op het spreekuur de
gezinssituatie is besproken, waaronder het feit dat twee meervoudig
gehandicapte kinderen van het gezin deel uitmaken. De Raad stelt voorts
vast dat appellanten geen (medische) gegevens hebben ingebracht die
twijfel doen rijzen aan de bevindingen van Argonaut. Naar het oordeel
van de Raad zijn de adviezen van Argonaut op zorgvuldige wijze tot stand
gekomen en heeft het College zich bij zijn besluitvorming daarop mogen
baseren.
Appellanten hebben voorts aangevoerd dat het collectief vervoer niet
adequaat is te achten omdat, gelet op de verschillende vervoersbehoefte
van appellanten, incidenteel gebruik zal moeten worden gemaakt van twee
(rolstoel)taxi’s. De Raad kan daarin echter op zichzelf genomen geen
grond vinden om het collectief vervoer als zodanig voor appellanten geen
adequate vervoersvoorziening te achten. Uit de gedingstukken blijkt dat
appellanten daarvan wel gebruik kunnen maken, als maar voldoende is
voorzien in hun noodzakelijke zorg en begeleiding. Ook deze grief slaagt
niet.
De grief dat het College ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan
de in artikel 8.1 van de Verordening neergelegde hardheidsclausule treft
echter wel doel. De Raad is van oordeel dat het College in de zeer
bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding had moeten vinden om
ten gunste van appellanten af te wijken van de overige bepalingen van de
Verordening. De Raad acht deze omstandigheden onder meer gelegen in het
feit dat appellanten beiden ernstig meervoudig gehandicapt zijn, dat
sprake is van een groot leeftijdsverschil en mede in verband daarmee van
een gedeeltelijk uiteenlopende vervoersbehoefte, dat zij beiden inwonen
bij hun alleenstaande moeder van wier zorg en begeleiding zij volledig
afhankelijk zijn, en dat hun moeder daarnaast nog de zorg heeft voor
twee andere minderjarige kinderen.
Hiermee is gegeven dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak,
de beroepen gegrond dienen te worden verklaard en de besluiten van 5
april 2005 dienen te worden vernietigd.
De Raad ziet, met het oog op een finale beslechting van het geschil,
aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de door appellanten
aangevraagde voorziening in de vorm van een bruikleenauto toe te kennen.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de
kosten van appellanten. Deze worden begroot op € 644,-- in bezwaar, op
€ 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende
rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen gegrond;
Vernietigt de besluiten van 5 april 2005;
Herroept de besluiten van 10 juni 2004 en kent de aangevraagde
voorziening in de vorm van een bruikleenauto toe;
Veroordeelt het College in de kosten van appellanten tot een bedrag van
€ 1.932,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellanten het in beroep en
in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van
Male en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) S.R. Bagga.
|
|