|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/7276
WVG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2005,
02/4808 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam
(hierna: College).
Datum uitspraak: 18 april 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007.
Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, werkzaam bij de
gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Aan appellant is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) bij besluit van 8 oktober 1999 een
voorziening in de vorm van een bruikleenauto toegekend. In verband met
het gewijzigde inkomen van appellant ten gevolge van de
huwelijkssluiting van appellant met mevrouw [echtgenote] op 12 september 2000 is bij besluit van 8 december 2000 aan appellant
meegedeeld dat hij niet meer in aanmerking komt voor een bruikleenauto.
Daarvoor in de plaats is hem een financiële tegemoetkoming van fl.
7.000,-- in de aanschaf van een eigen auto toegekend.
Bij besluit van 24 september 2002 heeft het College het bezwaar tegen
het besluit van 8 december 2000 gegrond verklaard en de financiële tegemoetkoming nader
vastgesteld op fl. 14.000,--. Het bezwaar, voor zover gericht tegen het
niet meer in aanmerking komen van een bruikleenauto, is ongegrond
verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, dat
uitsluitend gericht was tegen de in het besluit van 24 september 2002
gehandhaafde intrekking van de toegekende bruikleenauto, gegrond
verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van
het vernietigde besluit in stand blijven.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen
uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen
van het vernietigde besluit van 24 september 2002 in stand blijven. Hij heeft - kort samengevat -
aangevoerd dat hij er op mocht vertrouwen dat zijn huwelijk geen
consequenties zou hebben voor de hem toegekende bruikleenauto. Hij stelt
dat een medewerker van de Sociale Dienst te Amsterdam, H. Golberdinge,
hem telefonisch heeft verzekerd dat zijn voorgenomen huwelijk geen
invloed zou hebben op de toekenning van de bruikleenauto. Voorts heeft
appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat
niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Appellant stelt ongeveer € 100,-- te hebben uitgegeven aan vervoerskosten en kosten van
aangetekende verzending.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het eerst ter zitting naar voren gebrachte standpunt van gedaagde dat
appellant geen procesbelang meer heeft omdat hem een tegemoetkoming in
de kosten van de aanschaf van een auto en van de noodzakelijke
aanpassingen daarvan zijn toegekend, deelt de Raad niet. Niet is
gebleken dat het resultaat dat appellant met het indienen van hoger
beroep nastreeft, het kunnen beschikken over een bruikleenauto, met het
ingestelde beroep niet kan worden bereikt en dat het realiseren van dat
resultaat voor appellant feitelijk geen betekenis zou kunnen hebben.
Zoals de Raad herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht (bijvoorbeeld
CRvB 5 december 2006, LJN AZ4449) kan een beroep op het
vertrouwensbeginsel slechts slagen, indien door een tot beslissen
bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk,
ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij die
aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van dergelijke
toezeggingen is de Raad niet gebleken. Appellant heeft geenszins
aannemelijk gemaakt dat Golberdinge heeft toegezegd - in welke context
dan ook - dat het huwelijk van appellant geen consequenties zou hebben
voor de aan appellant toegekende bruikleenauto.
Aangezien niet is gebleken dat appellant de rechtbank heeft verzocht om
een vergoeding voor de kosten van vervoer en porti, ziet de Raad geen
aanleiding om de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft
op de proceskosten, voor onjuist te houden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak,
voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T.
Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 18 april 2007.
(get.) R.M. van Male.
(get.) S.R. Bagga.
|
|