|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4644
WVG
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 juli 2004, 03/2796
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 18 april 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach
en H.H. Acun, werkzaam bij de gemeente Tilburg. Betrokkene is niet
verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Betrokkene is gehandicapt en verbleef tot 14 januari 2003 in een door de
Stichting Amarant (hierna: Amarant) bestuurde instelling die ingevolge artikel 8
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) is
toegelaten. Vanaf die datum heeft betrokkene zelfstandige woonruimte aan
de [adres] te Tilburg gehuurd van de Stichting Woonzorg Nederland. Dit
appartement maakt deel uit van een complex van twaalf appartementen
waarvan het merendeel is gehuurd door Amarant. De door Amarant gehuurde
appartementen worden gebruikt als onderdeel van de AWBZ-instelling.
Betrokkene heeft op 23 februari 2003 op grond van het bepaalde bij en
krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) bij appellant
een aanvraag ingediend voor een douchebrancard en een woningaanpassing
bestaande uit een verlaagd keukenblok.
Bij besluit van 6 oktober 2003 heeft appellant, onder verwijzing naar
artikel 1.2., derde lid, van de Verordening voorzieningen gehandicapten
Tilburg (hierna: Verordening), de aanvraag afgewezen op de grond dat
betrokkene een beroep kan doen op de AWBZ als voorliggende voorziening.
Bij besluit van 27 november 2003 heeft appellant het bezwaar van
betrokkene tegen het besluit van 6 oktober 2003 ongegrond verklaard.
Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat geen voorziening kan worden
toegekend indien ingevolge een andere wettelijke regeling aanspraak op
die voorziening bestaat. Het Landelijk Centrum Indicatiestelling
Gehandicaptenzorg (hierna: LCIG) heeft betrokkene geïndiceerd voor de
functie verblijf. Daarmee is betrokkene geïndiceerd voor verblijf in
een AWBZ-instelling. Tot 14 januari 2003 verbleef appellant ook in een AWBZ-instelling, maar hij
heeft er samen met Amarant voor gekozen om zelfstandig te gaan wonen,
waarbij van Amarant zorg wordt afgenomen bestaande uit 7 keer per week
24 uur begeleiding. Deze zorg wordt door betrokkene bekostigd uit een
persoonsvolgend budget. Nu Amarant voorts bijna het hele complex huurt
ziet appellant het appartementencomplex aan de [adres] als een
dependance van een AWBZ-instelling, ook voor zover het gaat om het door
betrokkene gehuurde appartement. Het verblijf van betrokkene dient onder
die omstandigheden volgens appellant te worden gelijkgesteld met het
verblijf in een AWBZ-instelling.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent
griffierecht en proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het
besluit van 27 november 2003 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd
en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene
te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank
overwogen dat ingevolge artikel 2 van de Wvg de gemeente zorg dient te
dragen voor de verstrekking van voorzieningen aan de in de gemeente
wonende gehandicapten, tenzij zij verblijven in een AWBZ-instelling en
met betrekking tot die categorie gehandicapten geen afwijkende regeling
door de minister is getroffen. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat
niet de indicatie van het LCIG maar de feitelijke situatie
doorslaggevend is.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 2 van de Wvg luidt als volgt:
“1. Het gemeentebestuur draagt zorg voor de verlenging van
woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan
het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige
gehandicapten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op gehandicapten die
verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de AWBZ is toegelaten.
3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, in
overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met betrekking tot
het tweede lid afwijkende regels stellen.”
Anders dan voorheen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27
april 2005, LJN AT5447, zal de Raad bij de toetsing aan artikel 2,
tweede lid, van de Wvg niet langer een uitleg hanteren waarbij feitelijk
verblijf buiten een AWBZ-instelling onder zeer specifieke omstandigheden
op één lijn moet worden gesteld met verblijf in zulk een instelling.
De Raad acht thans termen aanwezig voor een strikt tekstuele uitleg van
dit artikellid in die zin dat uitsluitend een op grond van de AWBZ
bekostigd verblijf in een instelling, voor welk verblijf in de regel een
eigen bijdrage als bedoeld in het Bijdragebesluit zorg verschuldigd is,
onder het bereik ervan valt. Voor een op analogie gebaseerde uitleg van
artikel 2, tweede lid, van de Wvg ziet de Raad, gezien de
maatschappelijke ontwikkeling waarbij zorg en wonen in toenemende mate
als zelfstandige, te (onder)scheiden functies worden beschouwd, niet
langer ruimte. De Raad heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking
genomen dat deze ontwikkeling inmiddels tot een grote diversiteit van
feitelijke woon- en zorgsituaties heeft geleid. Deze diversiteit leidt
in toenemende mate tot vragen over de afbakening van de Wvg ten opzichte
van de AWBZ. Daarbij zijn keuzes aan de orde die geacht moeten worden
primair op de weg van de wetgever te zijn gelegen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt,
zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van de gemeente Tilburg een griffierecht van € 428,--
wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T.
Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 18 april 2007.
(get.) R.M. van Male.
(get.) S.R. Bagga.
|
|