|
Uitspraak
03/1566 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van l januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht
van 4 maart 2003, nr. AWB 02/200 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 januari 2005. Appellant is in
persoon verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door G.G.
Mostert, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 8 maart 2001 heeft gedaagde het bezwaar van
appellant ongegrond verklaard, welk bezwaar gericht was tegen het
besluit van 9 augustus 2000, waarbij appellants uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet (WW) werd herzien in verband met toegenomen
werkzaamheden als zelfstandige en waarbij een bedrag van f 25.860,91 is
teruggevorderd. Bij uitspraak van 8 mei 2001 heeft de rechtbank het
tegen het besluit van 8 maart 2001 ingestelde beroep niet-ontvankelijk
verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep. Bij
uitspraak van 21 juni 2001 heeft de rechtbank het hiertegen gedane
verzet ongegrond verklaard.
1.2. Bij brief van 8 augustus 2001 heeft appellant gedaagde gevraagd het
besluit van 9 augustus 2000 te herzien, omdat appellant de
belastingdienst heeft verzocht zijn zelfstandigenaftrek over de jaren
1996 en 1997 terug te draaien, aan welk verzoek de belastingdienst
gevolg heeft gegeven. Bij besluit van 5 september 2001 heeft gedaagde
appellant laten weten geen aanleiding te zien om terug te komen van zijn
besluit van 9 augustus 2000 omdat het terugdraaien van de
zelfstandigenaftrek bij de belastingdienst zonder opgaaf van redenen
wordt gehonoreerd. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij
het bestreden besluit van 18 januari 2002.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 18 januari 2002
ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd overweegt de
Raad het volgende.
3.1. Het besluit van 9 augustus 2000, waarvan appellant herziening heeft
verzocht, is in rechte onaantastbaar geworden. Overeenkomstig hetgeen
voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van
een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd
dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden
worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer
geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld,
kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder
verwijzing naar zijn eerdere besluit. Bij zijn onderhavige verzoek aan
gedaagde heeft appellant aangevoerd dat hij heeft ingezien dat hij ten
onrechte over de jaren 1996 en 1997 zelfstandigenaftrek heeft geclaimd.
Volgens hem heeft gedaagde daarom aangenomen dat hij in meer uren arbeid
als zelfstandige heeft verricht dan hij in werkelijkheid heeft gedaan.
Nu de aftrek is teruggedraaid door de fiscus dient gedaagde terug te
komen van zijn veronderstelling dat appellant naast zijn uitkering
ingevolge de WW als zelfstandige arbeid heeft verricht in de door
gedaagde aangenomen omvang, aldus appellant.
3.2. De Raad is van oordeel dat het hier niet gaat om nieuw gebleken
feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin omdat appellant
reeds in zijn bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2000 heeft
aangevoerd dat hij de desbetreffende werkzaamheden niet in de door
gedaagde aangenomen omvang heeft verricht en dat de zelfstandigenaftrek
destijds ten onrechte in volle omvang is geclaimd. De bewering
dienaangaande van appellant is naast andere gegevens onderwerp geweest
van gedaagdes heroverweging naar aanleiding van het bezwaar tegen het
besluit van 9 augustus 2000. Aan het gegeven dat de belastingdienst
appellants verzoek heeft gehonoreerd en de zelfstandigenaftrek over de
genoemde jaren heeft teruggedraaid, komt naar het oordeel van de Raad
voorts niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien,
reeds omdat de beslissing door de belastingdienst zonder enig onderzoek
is genomen en deze beslissing derhalve niets zegt over feiten en
omstandigheden die van belang zijn in het kader van de onderhavige
toetsing van het bestreden besluit. De Raad is dan ook van oordeel dat
het bestreden besluit de aan de rechter toekomende toetsing kan
doorstaan.
3.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden
bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75
van de Awb inzake de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) A. de Gooijer.
|
|