|
Uitspraak
03/3028 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.P. Flinterman, advocaat te Utrecht, hoger
beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de
rechtbank Amsterdam, reg.nr. AWB 02/4258 WW, gedagtekend 13 mei 2003,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2005,
waar van partijen alleen gedaagde is verschenen, vertegenwoordigd door
M. Florijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad ontleent aan de gedingstukken dat appellant tot 1 oktober 1999
directeur en mede-eigenaar was van de [naam besloten vennootschap]
(hierna: [de vennootschap]). Die onderneming is rond die datum
overgenomen door Incassure B.V., handelende onder de naam
Assurantiegroep Op Weg B.V., waar appellant op 1 oktober 1999 in dienst
is getreden als assurantieadviseur. Op 1 maart 2000 is het
faillissement van [de vennootschap] uitgesproken. Op 1 mei 2000 heeft
appellant ontslag genomen bij Incassure B.V. en per 5 juli 2000 zou
Incassure B.V. zijn opgehouden te bestaan.
Appellant heeft bij gedaagde een aanvraag ingediend om met toepassing
van hoofdstuk IV van de WW onbetaald gebleven bedragen over de maanden
februari, maart en april 2000 over te nemen. Daarna is vanwege gedaagde
een onderzoek ingesteld naar mogelijke werkgeversfraude door [de
vennootschap]. Nadat het daarvan opgemaakte rapport Werkgeversfraude was
uitgebracht, heeft gedaagde bij besluit van 10 april 2002, appellants
aanvraag afgewezen.
Bij het op bezwaar gegeven besluit van 8 augustus 2002 heeft gedaagde
die afwijzing gehandhaafd. Daarbij heeft gedaagde zich in de eerste
plaats op het standpunt gesteld dat appellant niet als werknemer van [de
vennootschap] kan worden aangemerkt. Hij heeft daaraan toegevoegd dat
appellant evenmin recht heeft op overneming van enige betaling wegens
loonachterstand bij Incassure B.V., omdat niet is gebleken van
betalingsonmacht.
In beroep heeft appellant gesteld dat hij in dienstbetrekking stond met
[de vennootschap].
De rechtbank heeft dat beroep verworpen onder verwijzing naar appellants
erkenning bij de hoorzitting van 10 juli 2002 dat hij niet in
dienstbetrekking stond bij [de vennootschap].
In hoger beroep heeft appellant de stelling betrokken dat hij in dienst
was van Assurantiegroep Op Weg B.V., onder meer omdat hij de
aanwijzingen van de heer [naam betrokkene] diende op te volgen.
De Raad overweegt dat uit de stukken blijkt dat appellant zelf heeft
aangegeven dat de heer [naam betrokkene] aanvankelijk als werknemer bij
[de vennootschap] werkzaam was en na de overname van [de vennootschap]
als directeur van Incassure B.V. optrad.
De Raad is dan ook tot de slotsom gekomen dat bij het bestreden besluit
terecht is geweigerd om betalingsverplichtingen over te nemen, voor
zover het betreft [de vennootschap] omdat appellant daar niet als
werknemer werkzaam was en voor zover het betreft Incassure B.V. omdat
niet gebleken is van betalingsonmacht.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. T.
Hoogenboom en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van S.
l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S. l’Ami.
|
|