|
Uitspraak
03/5863 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. M.J. Blom, destijds advocaat te Spijkenisse,
op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 18 november 2003, reg.nr.
WW 03/1308 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 19 mei 2004 heeft mr. N. Desloover, advocaat te Rotterdam,
bericht de zaak van mr. Blom te hebben overgenomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2005, waar appellante
niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door
G.J. Samsom, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de
rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen,
gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt
bij zijn beoordeling.
Het gaat in dit geding om de vraag of gedaagde op goede gronden heeft
besloten dat de eerder aan appellante toegekende WW-uitkering niet
herleeft en haar met ingang van 10 september 2002 geen nieuw WW-recht
toe te kennen.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en
stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd, bevat in
vergelijking met hetgeen reeds eerder naar voren is gebracht geen nieuwe
feiten of gronden. Nu de Raad hetgeen door de rechtbank is vastgesteld
en overwogen volledig kan onderschrijven, ziet de Raad geen aanleiding
nader op deze herhaalde feiten en gronden in te gaan.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S.
l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S. l’Ami.
|
|