|
Uitspraak
03/5999 WW en 04/3455 WW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant is mr. M.I. Pul, advocaat te Doetinchem, op bij
aanvullend beroepschrift van 5 december 2003 vermelde gronden in hoger
beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 30 oktober
2003 met kenmerk 03/669 (zaak nr. 03/5999).
Appellant heeft op 19 juni 2004 hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 juni 2004 met kenmerk 03/1552
(zaak nr. 04/3455).
Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 15 april 2005,
waar appellant in persoon is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote
[naam echtgenote], en bijgestaan door mr. C. de Bont, kantoorgenoot van
mr. Pul, en waar namens gedaagde is verschenen M.J.H. Steeghs, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Dagloon
Bij besluit van 17 juli 2002 heeft gedaagde aan appellant met ingang van
30 mei 2002 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend,
berekend naar een dagloon van € 122,04. Dit dagloon is afgeleid van
het dagloon dat ten grondslag lag aan (het voorschot op) de uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), aan
appellant met ingang van 30 mei 2002 toegekend en berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Gedaagde heeft appellant bij
besluit van 31 oktober 2002 bericht dat het WW-dagloon te hoog is
vastgesteld nu gebleken is dat aan appellant een Duitse rente is
toegekend. Daarom is het WW-dagloon met ingang van 31 mei 2002 verlaagd
naar € 74,35. Bij besluit van 8 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar
van appellant tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 oktober 2003 heeft de rechtbank het beroep van
appellant tegen het besluit van 8 april 2003 ongegrond verklaard. De
rechtbank heeft daartoe overwogen dat het WAO-dagloon in rechte
onaantastbaar is geworden en in dit geding voor juist moet worden
gehouden. Daarvan uitgaande was gedaagde ingevolge de Dagloonregelen IWS
gehouden het WW-dagloon te berekenen als is geschied bij het primaire
besluit en het besluit op bezwaar. Het beroep van appellant op het
vertrouwensbeginsel, gelet op een mededeling van een arbeidsdeskundige,
heeft de rechtbank afgewezen.
In hoger beroep betwist appellant dat de uitkering die hij uit Duitsland
ontvangt gekwalificeerd moet worden als een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Blijkens een brief van de
Landesversicherungsanstalt Westfalen (LVA) van 30 augustus 2002 gaat het
om een “Rente wegen teilweiser Erwerbsminderung” hetgeen een
opbouwverzekering is, te vergelijken met een uitkering uit
levensverzekering. Appellant voert aan dat hij in Duitsland niet medisch
is gekeurd en dat in Duitsland geen arbeidsongeschiktheidspercentage is
vastgesteld. Appellant stelt dat de rechtbank nader had dienen te
onderzoeken in hoeverre de Duitse inkomensbron op correcte gronden is
aangemerkt als inkomen waarop de anticumulatieregeling moet worden
toegepast. Voorts is appellant van mening dat het WW-dagloon, ook indien
wordt uitgegaan van het WAO-dagloon, niet op de juiste wijze is
berekend.
Bij het verweerschrift heeft gedaagde nadere stukken overgelegd,
waaronder eerdergenoemde brief van de LVA en een verklaring E210 D. Die
verklaring houdt in een mededeling over de toekenning van een uitkering
ingeval van invaliditeit ingaande 1 augustus 2001, waarbij is vermeld
dat het verzekerde risico is ingetreden op 30 november 2000. Gedaagde
stelt zich op het standpunt dat wel degelijk sprake is van toekenning
van een buitenlandse invaliditeitsuitkering en dat de WW-uitkering
terecht is berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de
Algemene Dagloonregels (lees: de Dagloonregels IWS, hierna: de
Dagloonregels). Gedaagde is voorts van mening dat appellant niet meer
kan opkomen tegen de hoogte van het WW-dagloon, nu dit is vastgesteld
bij een besluit waartegen appellant destijds geen bezwaar heeft gemaakt
en de gronden bovendien zien op de vaststelling van het WAO-dagloon,
waarbij gedaagde overigens aantekent dat de uiteindelijke berekening van
appellant onjuist is.
Uit de gedingstukken blijkt voorts dat appellant sedert 10 september
1963 werkzaam is geweest in Duitsland en dat hij vanaf 30 november 2000
tot en met 30 mei 2002 ziekengeld ingevolge de Duitse wetgeving heeft
ontvangen. Op het WW-aanvraag- formulier heeft appellant als reden voor
zijn ontslag ingevuld “Ziektewet”, terwijl hij tevens heeft vermeld
dat hij tot en met
29 november 2000 volledig werkzaam is geweest bij zijn werkgever in
Duitsland. Bij besluit van 27 januari 2003 is aan appellant met ingang
van 30 mei 2002 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Uit het besluit blijkt dat in
aanmerking is genomen dat appellant zowel in Duitsland als in Nederland
verzekerd is geweest tegen arbeidsongeschiktheid, en dat het WAO-dagloon
per 30 mei 2002 is vastgesteld op € 121,38.
Terugvordering
Bij besluit van 25 februari 2003 heeft gedaagde van appellant het
gedeelte van de WW-uitkering dat appellant van 31 mei 2002 tot en met 19
januari 2003 ten onrechte had ontvangen van hem teruggevorderd. Op het
bezwaar van appellant tegen dat besluit heeft gedaagde bij besluit van
15 oktober 2003 beslist dat de uitkering vanaf 31 mei 2002 tot een
bedrag van € 2.700,51 terecht is teruggevorderd.
Bij uitspraak van 14 juni 2004 heeft de rechtbank het beroep van
appellant tegen het besluit van 15 oktober 2003 ongegrond verklaard. De
rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde ingevolge artikel 36,
eerste lid, van de WW gehouden is tot terugvordering van hetgeen
onverschuldigd aan uitkering is betaald. Met gedaagde is de rechtbank
van oordeel dat van dringende redenen op grond waarvan gedaagde geheel
of gedeeltelijk van terugvordering zou kunnen afzien, niet is gebleken.
De rechtbank is voorts van oordeel dat gedaagde voldoende duidelijk
inzicht heeft gegeven in de berekening van het teruggevorderde bedrag en
ook overigens geen aanknopingspunten gevonden om het bestreden besluit
voor onjuist te houden.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich misleid voelt
door de rechtbank. Hij acht het bedrag dat hij aan WW-uitkering en
WAO-uitkering ontvangt te laag in verhouding tot zijn vroegere inkomen.
De Raad overweegt als volgt.
Dagloon
Tussen partijen is allereerst in geschil of gedaagde het dagloon dat ten
grondslag ligt aan de aan appellant toegekende WW-uitkering terecht met
ingang van 31 mei 2002 heeft verlaagd naar € 74,35. Het geschil spitst
zich toe op de vraag of gedaagde terecht geen toepassing heeft gegeven
aan artikel 7 van het Bijzonder Dagloonbesluit IWS van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging, vastgesteld op 20 december 1990 en
goedgekeurd door de Sociale Verzekeringsraad bij Besluit van 6 februari
1991, nr. 91/1598, Stcrt. 1991, 29, zoals nadien gewijzigd (hierna: het
Bijzonder Dagloonbesluit). Dit artikel voorziet in een van artikel 14,
eerste, tweede en derde lid van de Dagloonregels afwijkende berekening
van het WW-dagloon voor een werknemer die zijn recht op WW-uitkering
ontleent aan artikel 71, eerste lid, onder a (ii) of b (ii), van de
EG-Verordening nr. 1408/71, indien er geen recht bestaat op toekenning
van een invaliditeitsuitkering van één of meer andere Lid-Staten.
De Raad is op grond van de feiten en omstandigheden zoals hierboven
weergegeven tot het oordeel gekomen dat appellant er niet in is geslaagd
aannemelijk te maken dat de uitkering die aan hem blijkens de mededeling
van de LVA van 30 augustus 2002 met ingang van 1 augustus 2001 is toegekend, geen
invaliditeitsuitkering is als bedoeld in artikel 7 van het Bijzonder
Dagloonbesluit. Appellant heeft zijn standpunt niet met stukken of
anderszins onderbouwd, terwijl de gedingstukken voldoende
aanknopingspunten bevatten om aan te nemen dat de uitkering uit
Duitsland wel een invaliditeitsuitkering was als bedoeld in artikel 7
van het Bijzonder Dagloonbesluit. Dat appellant naar hij stelt in
Duitsland niet medisch is gekeurd doet daar niet aan af. Er is geen
aanleiding voor een nader onderzoek zoals door appellant verzocht. De
Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond de berekening
van het WW-dagloon voor onjuist te houden.
Terugvordering
Nu vast is komen te staan dat aan appellant WW-uitkering naar een te
hoog dagloon is betaald, staat daarmee tevens vast dat als gevolg
daarvan een deel van die uitkering onverschuldigd is betaald. Ingevolge
artikel 36, eerste lid, van de WW is gedaagde gehouden het
onverschuldigd betaalde van appellant terug te vorderen. De Raad is niet
gebleken dat het teruggevorderde bedrag niet juist zou zijn berekend.
Evenals de rechtbank acht de Raad geen dringende redenen in de zin van
artikel 36, vierde lid, van de WW aanwezig. De bezwaren die appellant
opwerpt met betrekking tot de hoogte van de uitkering kunnen niet tot
een ander oordeel leiden. De Raad merkt daarbij nog op dat de berekening
van appellant in het hoger beroepschrift onvolledig is, nu hij nalaat de
uit Duitsland ontvangen uitkering in de vergelijking te betrekken.
De Raad concludeert dat het hoger beroep in beide zaken niet kan slagen
en dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gewezen door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. M.C.M. van
Laar en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van J.P.
Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) J.P. Mulder.
|
|