|
Uitspraak
03/6504 WW en 04/549 WW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant heeft mr. A. Müller, advocaat te Tilburg, op bij
aanvullende beroepschriften aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld
tegen door de rechtbank Roermond respectievelijk op 5 november 2003, nr.
03/709 WW K1, (uitspraak 1) en op 17 december 2003, nr. 03/997 WW K1,
(uitspraak 2) gegeven uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting, gehouden op 20 april
2005, waar appellant, met bericht, niet is verschenen en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam
bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde
geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en
de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier
van belang.
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de
rechtbank in de aangevallen uitspraken is weergegeven. Die feiten
vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad
uitgangspunt bij zijn beoordeling.
03/6504 WW
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank
terecht heeft geoordeeld dat gedaagde de WW-uitkering die aan appellant
was toegekend van 19 november 2001 tot 1 augustus 2002 terecht heeft beëindigd
met ingang van 1 februari 2002 op de grond dat appellant vanaf die dag
volledig als werknemer werkzaam is geweest en niet als startende
zelfstandige op wie de speciale regeling van artikel 4 van het Tijdelijk
besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen WW van toepassing was.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de
overwegingen van uitspraak 1.
Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens, met name op
de statuten van de door appellant en LOBO B.V. opgerichte besloten
vennootschap, is ook de Raad van oordeel dat appellant ingaande 1
februari 2002 als werknemer fulltime werkzaam is geweest. Appellant kon
om die reden geen aanspraak maken op voormelde regeling. Nu appellant
met ingang van 1 februari 2002 niet meer werkloos was, is zijn recht op
uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de
WW met ingang van die dag geëindigd.
Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, bevat in
vergelijking met hetgeen reeds eerder is aangevoerd geen nieuwe feiten
of gronden. Nu de Raad hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en
overwogen volledig kan onderschrijven, ziet de Raad geen aanleiding
nader op deze herhaalde feiten en gronden in te gaan.
Uitspraak 1 komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
04/549 WW
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank
terecht heeft geoordeeld dat gedaagde de aan appellant over de periode
van 1 februari 2002 tot 1 augustus 2002 verstrekte WW-uitkering ten
bedrage van € 8.960,-- terecht als onverschuldigd betaald heeft
teruggevorderd.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de
overwegingen van uitspraak 2. Ook de Raad is van oordeel dat, nu
vaststaat dat appellant over de periode van 1 februari 2002 tot en met
31 juli 2002 geen recht had op een WW-uitkering, gedaagde op goede
gronden tot terugvordering van voormeld bedrag is overgegaan.
Hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de
Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
Uitspraak 2 komt derhalve eveneens voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als hierna aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) S. l’Ami.
|
|