|
Uitspraak
02/5659 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem onder nummer 01/172
WW, op 30 september 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 maart 2005, waar appellant is
verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten voornoemd, terwijl gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.H. van der Berkt, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant, geboren in 1973, en ten tijde in geding van belang woonachtig
te Arnhem, was sinds 2 december 1999 via uitzendbureau Start Bouw
Utrecht (hierna: werkgever) als timmerman werkzaam op een project in
Soest. Aanvankelijk ontving appellant een onbelaste reiskostenvergoeding
van f 0,57 per gereden kilometer. Deze vergoeding kon, zo heeft
appellant gesteld, oplopen tot f 470,-- netto per week. Nadat appellant
die vergoeding acht weken had ontvangen heeft de werkgever, in verband
met de van toepassing zijnde fiscale regelingen, de vergoeding die
appellant per kilometer kreeg, belast en hem een onbelaste
reiskostenvergoeding van f 62,30 per week en een salarisverhoging van f
30,-- per week toegekend.
Appellant heeft op 27 april 2000 zijn werkzaamheden in Soest beëindigd
omdat het volgens hem financieel niet langer mogelijk was om vanaf
Arnhem naar Soest te reizen.
Nadat aan appellant aanvankelijk voorschotten waren verstrekt, heeft
gedaagde bij besluit van 19 juli 2000 de WW-uitkering blijvend geheel
geweigerd onder de overweging dat appellant verwijtbaar werkloos is
geworden omdat hij ontslag had genomen terwijl redelijkerwijs van hem
verwacht kon worden dat hij was blijven werken.
Bij besluit van 27 juli 2000 heeft gedaagde de aan appellant verstrekte
voorschotten ten bedrage van f 2.953,-- teruggevorderd.
De daartegen gerichte bezwaren zijn bij het thans bestreden besluit van
12 december 2000 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft daarbij, met gedaagde, overwogen dat nu appellant na
de verlaging van de reiskosten eerst na twee maanden ontslag heeft
genomen niet gezegd kan worden dat er in verband met de verlaging van de
reiskosten een acute noodzaak voor appellant was om tot beëindiging van
het dienstverband over te gaan, terwijl appellant voorts niet al het
redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om werkloosheid te voorkomen.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat het feit dat hij ondanks de
sterke teruggang in inkomen doorwerkte, niet tegen hem gebruikt kan
worden. Hij wijst er op dat hij op 26 april 2000 over zo weinig geld
beschikte dat het hem niet langer mogelijk was om met dit werk door te
gaan. Appellant stelt verder dat hij heeft getracht ander werk te
vinden, maar dat dat werk niet beschikbaar was.
Ter zitting heeft appellant daaraan, onder verwijzing naar de uitspraak
van de Raad van 9 juli 2003 (LJN AI0634) nog toegevoegd dat de
voorschotverstrekking onder dusdanige omstandigheden geschiedde dat het
besluit tot terugvordering van deze voorschotten thans in rechte geen
stand kan houden.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is met appellant van oordeel dat hij na twee maanden
werkzaamheden in Soest werd geconfronteerd met een substantiële
achteruitgang in inkomsten. De Raad stelt echter tevens vast dat deze
achteruitgang niet zo groot is als appellant - die stelde dat het ging
om een bedrag van netto f 407,70 per week - wil doen voorkomen. Zoals
appellant ter zitting heeft verklaard en zoals blijkt uit de
salarisafschriften, declareerde appellant vanaf het moment van
indiensttreding per gereden kilometer, welke declaratie vanaf 28 januari
2000 belast werd vergoed, zodat niet kan worden gesteld dat de
kilometervergoeding volledig werd beëindigd. Tegenover die terugval in
inkomsten na twee maanden stond een onbelaste (en forfaitaire)
vergoeding van f 62,30 per week en een salarisverhoging van f 30,--
bruto per week, hetgeen resulteerde in een inkomensachteruitgang van
iets meer dan f 200,-- per week. Zoals hiervoor reeds werd aangegeven is
dit, mede in relatie tot het salaris van appellant, een aanzienlijke
achteruitgang, maar zoals appellant zelf heeft aangegeven, bedroegen
zijn dagelijkse reiskosten in werkelijkheid f 35,--, welk bedrag door de
na 28 januari 2000 door de werkgever verstrekte vergoedingen en de
salarisverhoging nog steeds meer dan voldoende gecompenseerd werd. In de
terugval in inkomsten was derhalve onvoldoende reden gelegen om de
dienstbetrekking te beëindigen. De Raad ziet voorts geen reden om die
beëindiging niet in overwegende mate verwijtbaar te achten.
Dat er dringende redenen zijn die aan een terugvordering van de
voorschotten in de weg staan is de Raad niet gebleken. Anders dan in de
door appellant aangehaalde uitspraak, is er in het onderhavige geval
geen sprake van dat het reeds bij de aanvraag van de uitkering evident
was dat er geen recht op een WW-uitkering kon bestaan, terwijl er
evenmin sprake is van de zeer bijzondere (persoonlijke) omstandigheden
zoals die in dat geval aan de orde waren.
Het hoger beroep kan derhalve niet slagen, het bestreden besluit kan in
stand blijven en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in
aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr.
J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4
mei 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) L. Karssenberg.
|
|