|
Uitspraak
04/2147 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.J. Crombag, advocaat te Sittard-Geleen, op
bij beroepschrift -met bijlagen- aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 12 maart 2004, reg.nr.
AWB 02/1619 WW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 mei 2005, waar appellant in
persoon is verschenen met bijstand van mr. Crombag, voornoemd, als zijn
raadsvrouw, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.P.L.
Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant is op 1 mei 2001 op basis van een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd als systeembeheerder in dienst getreden van de
[werkgever 1], (hierna: [de werkgever 1], of: werkgever).
Op 12 juni 2001 is appellant tijdens een proeftijdbeoordelingsgesprek
meegedeeld dat het dienstverband na het einde van de proeftijd niet zou
worden voortgezet, omdat hij niet voldeed aan het verwachtingspatroon.
Appellant beschikte volgens de werkgever over onvoldoende
aanpassingsvermogen en zijn houding en gedrag zouden weerstand oproepen
bij collega’s en leidinggevenden. Omdat bij aanvang van het
dienstverband geen juiste profielschets van appellant was gemaakt, heeft
de werkgever besloten de arbeidsovereenkomst op sociale gronden voort te
zetten. Daaraan is onder meer de restrictie verbonden dat appellant met
ingang van 1 oktober 2001 zicht diende te hebben op een andere baan
omdat anders de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2002 door
middel van een ontslagvergunning zou worden ontbonden. Met ingang van 1
januari 2002 is appellant op basis van een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd bij [werkgever 2], (hierna: [werkgever
2]), waar hij binnen de proeftijd per 28 februari 2002 is ontslagen
omdat hij niet aan de gewenste functie eisen voldeed. Uit een verklaring
van de directeur van [werkgever 2], afgelegd tegenover een medewerker
van het Uwv, blijkt dat deze van mening is dat appellant niet
verwijtbaar heeft gehandeld en dat appellant om die reden nog éénmalig
een verlenging van twee maanden is aangeboden ter ondersteuning van het
zoeken van een andere werkkring, hetgeen binnen het gegeven tijdsbestek
niet is gelukt.
Op 22 april 2002 heeft appellant een aanvraag om uitkering ingevolge de
WW ingediend, welke hem bij besluit van 21 juni 2002 met ingang van 1
mei 2002 is toegekend naar een dagloon van € 144,64.
Bij besluit op bezwaar van 26 september 2002 - het bestreden besluit -
heeft gedaagde voormeld besluit gehandhaafd. Gedaagde heeft aangegeven
dat het dagloon met toepassing van artikel 4 van de Algemene
dagloonregels is berekend, volgens welk artikel voor de vaststelling van
het dagloon het loon wordt berekend, dat de werknemer in de 26 kalender-
of loonweken aan het intreden van zijn arbeidsurenverlies onmiddellijk
voorafgaande, in dienstbetrekking in zijn beroep gemiddeld heeft
genoten. Uitgaande van het loon dat appellant in de van belang zijnde
periode van 29 oktober 2001 tot en met 28 apri[de werkgever 1] op 46
werkdagen à € 155,07 en bij [werkgever 2] op 84 werkdagen à €
138,39 verdiende, is gedaagde gekomen tot een dagloon van € 144,64. De
garantieregeling van artikel 17, derde lid, van de Algemene
dagloonregels die de mogelijkheid biedt om bij de dagloonvaststelling
uitsluitend rekening te houden met de hogere verdiensten van appellant
in zijn primaire dienstbetrekking, heeft gedaagde niet
toegepast, omdat appellant volgens gedaagde uit die dienstbetrekking
verwijtbaar werkloos is geworden zodat die regeling ingevolge artikel
17, vijfde lid niet van toepassing is.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard en heeft daartoe overwogen dat uit de voorhanden zijnde
gegevens is af te leiden dat de werkloosheid van appellant in verband
met zijn eerste dienstbetrekking verwijtbaar is in de zin van de WW. Dit
leidt de rechtbank tot de conclusie dat het dagloon op juiste wijze en
op een juist bedrag is vastgesteld.
Appellant bestrijdt in hoger beroep de hoogte van het dagloon, dat naar
zijn opvatting alleen gebaseerd had moeten worden op het loon dat hij
verdiende. Appellant stelt zich wederom op het standpunt dat
iedere verwijtbaarheid met betrekking tot het beëindigen van dat
dienstverband ontbreekt en dat het bestreden besluit onzorgvuldig is
voorbereid nu er geen inlichtingen zijn ingewonnen bij de werkgever.
Gedaagde heeft zich in verweer gesteld achter het oordeel van de
rechtbank.
De in dit geding aan de orde zijnde vraag of het besluit van 26
september 2002 in rechte stand kan houden beantwoordt de Raad, anders
dan de rechtbank, ontkennend op grond van de volgende overwegingen.
De Raad is van oordeel dat, gelet op de beschikbare gegevens, niet is
komen vast te staan dat het appellant te verwijten is dat zijn dienstverband
met ingang van 1 januari 2002 is beëindigd.
De Raad wijst in dit verband op het “Beoordelingsformulier proefperiode. Uit de beoordelingscriteria blijkt dat de kwaliteiten van
appellant voldoende worden beoordeeld wat zijn bevattingsvermogen,
belangstelling in het werk, werktempo en kwaliteit van het werk betreft,
maar dat hij met betrekking tot zijn aanpassingsvermogen, zijn houding
en gedrag onvoldoende scoort, hetgeen tot gevolg heeft dat hij niet
wordt geaccepteerd door de dienst. Het Laurentius ziekenhuis heeft
appellant desondanks de gelegenheid geboden om na de proeftijd door te
werken tot en met 31 december 2001 om vanuit een werksituatie uit te
zien naar een andere werkkring. De Raad meent hieruit te kunnen opmaken
dat het functioneren van appellant kennelijk niet zodanig was dat
appellant met onmiddellijke ingang van zijn functie ontheven moest
worden. Naar het oordeel van de Raad bieden de stukken dan ook
onvoldoende basis voor de conclusie dat appellant zich ten opzichte van
de werkgever verwijtbaar heeft gedragen.
Het bestreden besluit is derhalve ondeugdelijk gemotiveerd en kan om die
reden wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) niet in stand blijven. Gelet hierop komt dat besluit, evenals de
aangevallen uitspraak, voor vernietiging in aanmerking. Gedaagde dient
een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in
deze uitspraak is overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beide
instanties. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op €
644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als hierna aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Verklaart het beroep gegrond;
Bepaalt dat gedaagde opnieuw beslist op het bezwaar van appellant;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1288,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 131,-- (€ 29,-- + € 102,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S.
l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S. l’Ami.
|
|