|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4009 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, op de
daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 1 juni 2004, nr. 03/284
, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 juni 2005, waar appellante met
bericht niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellante is met ingang van 1 juli 1998 op een arbeidsovereenkomst Wiw
in dienst getreden van [werkgeefster] in de functie van medewerker
huishoudelijke dienst. Op 30 juni 2003 is het dienstverband van
rechtswege geëindigd. Bij besluit van 10 juli 2003 heeft gedaagde
appellante een uitkering ingevolge de WW toegekend gebaseerd op een
arbeidspatroon van gemiddeld 32 arbeidsuren per week.
Bij besluit van 25 juli 2003 heeft gedaagde op de WW-uitkering van
appellante met ingang van 14 juli 2003 een korting toegepast van 20%
gedurende 16 weken, omdat appellante in de periode van 30 juni 2003 tot
en met 13 juli 2003 niet heeft voldaan aan de op haar rustende
sollicitatieplicht.
Dit besluit is, na gemaakt bewaar, door gedaagde gehandhaafd bij het
thans bestreden besluit van 5 november 2003.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd, bevat een
herhaling van wat in eerste aanleg is betoogd, erop neerkomend dat het
bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de
zorgvuldigheid.
Naar het oordeel van de Raad zijn de grieven van appellante door de
rechtbank op goede gronden weerlegd. Ook de Raad is tot de conclusie
gekomen dat appellante in de in geding zijnde periode in onvoldoende
mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen, terwijl haar
redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat van haar minimaal één
concrete sollicitatieactiviteit per week verwacht werd. Immers, op 24
juni 2003 heeft appellante getekend voor de ontvangst van de brochure
‘Aan welke regels moet ik mij houden’ met de concrete uitwerking van
de wettelijke verplichting om passende arbeid te verwerven. Voorts acht
de Raad het niet aannemelijk dat er voor appellante geen geschikte
functies beschikbaar waren. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de
door appellante verrichte functie van medewerker huishoudelijke dienst
als gangbaar dient te worden beschouwd en dat de lichamelijke
beperkingen van appellante haar kennelijk niet hebben verhinderd dit
werk gedurende vijf jaren vol te houden. Dat de gezondheidstoestand van
appellante rond 1 juli 2003 zou zijn verslechterd is de Raad niet
gebleken.
De Raad komt dan ook tot oordeel dat de persoonlijke omstandigheden
waarop appellante zich beroept in voldoende mate zijn meegewogen bij de
oordeelsvorming van gedaagde. Voorts heeft de Raad in de omstandigheden
van het geval geen reden gezien om aan te nemen dat het niet nakomen van
de aan de orde zijnde verplichting appellante niet in overwegende mate
kan worden verweten.
Voor dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien,
acht de Raad evenmin gronden aanwezig.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft
geoordeeld dat het bestreden besluit in stand kan blijven.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) M.D.F. de Moor.
|
|