|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/3321 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage,
op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een
door de rechtbank ’s-Gravenhage op 28 april 2004, nr. AWB 03/4845 WW,
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 juni 2005, waar appellante is
verschenen bij gemachtigde mr. De Boorder voornoemd, en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer, werkzaam bij
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De feiten, welke in rubriek Motivering van de aangevallen uitspraak zijn
vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad
het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
Bij het bestreden besluit d.d. 20 oktober 2003 heeft gedaagde het
bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 12 augustus 2003 ongegrond
verklaard met dien verstande dat de datum met ingang waarvan de door
appellante aangevraagde WW-uitkering blijvend geheel wordt geweigerd
alsnog wordt gesteld op 1 juli 2003. Gedaagde heeft de blijvend gehele
weigering van de WW-uitkering gebaseerd op de overweging dat appellante
de op haar rustende verplichting om te voorkomen dat zij werkloos is of
blijft, doordat zij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt,
heeft overtreden. Gedaagde verwijt appellante, die als ontbijt-/algemeen
medewerkster in dienst was bij [werkgever], dat zij vaak te laat op het
werk is verschenen en dat om die reden haar dienstverband voor bepaalde
tijd, dat - na verlenging - betrekking had op de periode van 24 december
2002 tot en met 23 juni 2003, niet weer is verlengd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van
appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank
heeft daartoe overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat
appellante gedurende de hierboven genoemde periode van haar
dienstverband een aantal malen te laat is gekomen, hetgeen, naar de
rechtbank voldoende aannemelijk acht, meermalen tot gevolg heeft gehad
dat de hotelgasten geen ontbijt kregen geserveerd. De rechtbank heeft
vervolgens geoordeeld dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft
gesteld dat appellante om die reden door eigen toedoen geen passende
arbeid heeft behouden. De rechtbank kon appellante niet volgen in haar
stellingen dat het te laat komen haar niet kan worden verweten omdat het
te laat komen een gevolg was van het feit dat zij zich wegens ziekte
versliep en er geen mogelijkheid was om haar ziekte vóór de aanvang
van het werk bij haar werkgeefster te melden.
Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar
oordeel over het bestreden besluit.
In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat zij de
verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde,
van de WW niet heeft overtreden omdat het te laat komen haar niet kan
worden verweten. Naar appellante stelt is het niet verlengen van het
dienstverband met name het gevolg van het feit dat de werkgeefster van
appellante niet wilde aanvaarden dat appellante wegens ziekte niet in
staat was op het werk te verschijnen, zodat zij, ook als zij zich wegens
ziekte had verslapen, toch op het werk moest verschijnen en zich niet
kon ziekmelden.
De Raad stelt zich, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, achter het
oordeel van de rechtbank en de door haar aan dat oordeel ten grondslag
gelegde overwegingen. De door appellante in hoger beroep wederom
betrokken stellingen acht ook de Raad niet aannemelijk gemaakt. Hij
wijst er op dat de stelling van appellante dat zij te laat kwam omdat
zij zich wegens ziekte versliep niet met medische gegevens is
onderbouwd. De omstandigheid dat de laatste keer het te laat komen van
appellante wel aan ziekte bleek te kunnen worden toegeschreven, biedt
voor die stelling naar zijn oordeel onvoldoende steun. Ook de stelling
dat de werkgeefster niet wilde aanvaarden dat appellante wegens ziekte
niet in staat was om te gaan werken, acht de Raad niet genoegzaam
aannemelijk gemaakt.
Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel, zodat wordt
beslist als hier onder is vermeld.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor
als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) M.D.F. de Moor.
|
|