|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/1250 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft M.C. van ’t Zand op bij beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Zwolle op 22 januari 2004, reg.nr. 03/1165, tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 22 juni 2005, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door M.C. van ‘t Zand voornoemd, en
waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant was sinds 1973 als onderhoudsschilder in dienst van (de
rechtsvoorganger) van [werkgever] De arbeidsovereenkomst tussen
appellant en [werkgever] is door de kantonrechter met ingang van 6
februari 2003 ontbonden omdat er voor appellant geen passend werk meer
beschikbaar was. Aan appellant is met ingang van 1 april 2003 een
WW-uitkering toegekend.
Op het werkbriefje over de periode 7 april 2003 tot 4 mei 2003 heeft
appellant slechts één sollicitatie vermeld. Voorts heeft appellant
ingevuld dat hij niet heeft gesolliciteerd “omdat er op mijn vakgebied
weinig vraag naar werk is op het CWI”.
Bij besluit van 7 mei 2003 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 5
mei 2003 een maatregel opgelegd van een korting van 20% gedurende 16
weken wegens het in onvoldoende mate verrichten van
sollicitatieactiviteiten.
Bij het bestreden besluit van 30 juli 2003 heeft gedaagde dit standpunt
gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen ingestelde
beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant
bij de toekenning van de WW-uitkering op de hoogte is gesteld van de
sollicitatieplicht. Desondanks heeft appellant slechts één concrete
sollicitatieactiviteit vermeld. De rechtbank twijfelt er niet aan dat
appellant verschillende malen bij het CWI is langs gegaan en hem daar is
verteld dat er geen vacatures voorhanden waren. Appellant had zich
desondanks actiever moeten opstellen bij het vinden van passend werk.
Ten aanzien van de ter zitting vermelde telefonische sollicitaties is de
rechtbank van oordeel dat, nu appellant niet heeft aangegeven bij welke
werkgever en op welke datum hij telefonisch heeft gesolliciteerd,
gedaagde er terecht vanuit heeft kunnen gaan dat appellant in deze
periode niet (aantoonbaar) voldoende heeft gesolliciteerd. De rechtbank
heeft ten slotte geen aanleiding gezien om verminderde verwijtbaarheid
aan te nemen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij een inschattingsfout
heeft gemaakt door zijn telefonische sollicitaties niet op het
werkbriefje te vermelden. Indien hij elk mislukt sollicitatietelefoontje
had vermeld op het werkbriefje dan had hij wel aan de norm voldaan. Nu
is het voor appellant moeilijk om te bewijzen dat hij inderdaad
telefonische sollicitaties heeft verricht. Voorts heeft hij gesteld dat
de opgelegde maatregel niet in verhouding is met het verzuim.
De Raad overweegt als volgt.
In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde appellant terecht een
maatregel heeft opgelegd op de grond dat hij in de periode van 7 april
2003 tot 4 mei 2003 in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid
te verkrijgen.
Zoals de Raad reeds diverse malen heeft geoordeeld is het niet in strijd
met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten
eerste, van de WW dat gedaagde van een werkloze werknemer verlangt dat
deze in beginsel ten minste één concrete sollicitatieactiviteit per
week verricht. Van belang daarbij is dat per periode van vier weken aan
de hand van het zogenoemde werkbriefje en rekening houdend met de op de
individuele omstandigheden van de verzekerde betrekking hebbende
factoren, wordt beoordeeld of voormeld artikelonderdeel feitelijk is
overtreden.
Op het werkbriefje over de periode 7 april 2003 tot 4 mei 2003 heeft
appellant slechts één sollicitatie ingevuld. Eerst ter zitting van de
rechtbank op 6 januari 2004 heeft appellant verklaard dat hij in deze
periode ook telefonisch heeft gesolliciteerd. Appellant heeft van deze
telefonische sollicitaties geen gegevens overgelegd, zodat, nu deze
onvoldoende aantoonbaar zijn, deze niet als concrete sollicitaties
kunnen worden aangemerkt.
De Raad stelt dan ook vast dat appellant gedurende voornoemde periode
slechts één concrete sollicitatieactiviteit heeft verricht. Appellant
heeft daarmee niet voldaan aan de gestelde eis, zodat gedaagde terecht
een maatregel heeft opgelegd.
In het gegeven dat appellant werkloos is geworden uit een langdurig en
eenzijdig dienstverband met een relatief hoog salaris, en appellant
gezien de regelingen van zijn voormalige werkgever niet echt werd
geprikkeld om een andere baan te accepteren, ziet de Raad geen
aanleiding om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.
Voorop staat dat appellant de controlevoorschriften waarin een
toelichting is gegeven van de wettelijke verplichting om passende arbeid
te aanvaarden bij de toekenning van de uitkering heeft ontvangen. Voorts
heeft appellant tijdens het outplacementtraject bij zijn ex-werkgever
een intensieve sollicitatietraining gevolgd. Bovendien was appellant
tijdens de periode in geding ingedeeld in fase 1, zodat hij geacht werd
onmiddellijk bemiddelbaar te zijn. Dat deze indeling later werd
gewijzigd in fase 3 doet daar niet aan af.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel, zo er via het CWI geen
vacatures beschikbaar waren, dat van appellant verwacht had mogen worden
dat hij op andere wijze, bijvoorbeeld via een uitzendbureau of open
sollicitaties zou trachten op zoek te gaan naar een voor hem passende
baan.
Ten slotte heeft de Raad reeds eerder geoordeeld dat de opgelegde
maatregel van 20% gedurende 16 weken voor het niet voldoen aan de
sollicitatieplicht niet in strijd komt met enige (hogere) regeling,
terwijl de wettelijke bepalingen geen ruimte laten voor een nadere
evenredigheidstoets, zodat ook deze grief niet kan slagen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Aldus gegeven door mr. H.G. Rottier als voorzitter, in tegenwoordigheid
van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3
augustus 2005.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) M.D.F. de Moor.
|
|