|
Uitspraak
04/307 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. D.P. van der Veer, werkzaam bij Juridische
Dienstverlening Nederland B.V., op bij beroepschrift aangegeven gronden
hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 8
december 2003, onder nummer WW 02/3477, tussen partijen gewezen
uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 juni 2005, waar appellant, met
voorafgaand bericht, niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent in de
aangevallen uitspraak is weergegeven.
Ter beoordeling van de Raad staat de vraag of de rechtbank terecht heeft
geoordeeld dat het bestreden besluit van gedaagde van 20 november 2002
tot handhaving van zijn besluit van 9 september 2002 om appellant een
maatregel op te leggen in de vorm van een korting op zijn uitkering van
20% gedurende 16 weken wegens het in de periode van 12 augustus 2002 tot
en met 18 september 2002 niet naleven van de op hem ingevolge artikel
24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW rustende
sollicitatieverplichting, in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de
overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van
oordeel dat appellant uit gedaagdes brief van maart 2002, waarin een
toelichting is gegeven op een wijziging van de vierwekelijks in te
vullen inkomstenverklaringen met ingang van 5 maart 2002 en uit de tekst
van de gewijzigde inkomstenverklaringen zelf, had kunnen begrijpen dat
hij vanaf dat moment iedere week minimaal één sollicitatie diende te
verrichten. Dat aan appellant is toegestaan om niettemin minder dan
eenmaal per week te solliciteren, zoals hij in de periode tot maart 2002
deed, is niet gebleken. Van schending van het vertrouwensbeginsel is
derhalve geen sprake.
Van omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat het door
appellant niet naleven van de sollicitatieverplichting hem niet in
overwegende mate kan worden verweten is de Raad niet gebleken.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. B.M. van Dun
en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S. l’Ami.
|
|