|
Uitspraak
03/5036 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde,
en
de politieregio [regio], hierna: de werkgever.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam op 23 augustus 2003
onder de nummers WW 02/2888-SCHV en WW 02/2889-SCHV tussen partijen
gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak). De Raad volstaat er mee te
verwijzen naar die uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De werkgever heeft verklaard aan het onderhavige geding te willen
deelnemen.
Het geding is, gevoegd met het geding nr. 04/4949 WW, behandeld ter
zitting van 8 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen,
terwijl gedaagde en de werkgever zich hebben doen vertegenwoordigen door
mr. G.J. Wubs-Postma, medewerker bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Na behandeling zijn de gedingen gesplitst en wordt daarin afzonderlijk
uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luiden ten tijde als hier van belang.
Appellant, geboren in 1974, was in dienst van de werkgever, laatstelijk
als medewerker basispolitiezorg. Tegen appellant is een disciplinair
onderzoek ingesteld dat heeft geresulteerd in een ambtsedig opgemaakt
proces-verbaal van 11 september 2001. Naar aanleiding van dat
proces-verbaal heeft de werkgever aan appellant het voornemen kenbaar
gemaakt hem te ontslaan. Nadat appellant op dat voornemen heeft
gereageerd, heeft de werkgever bij besluit van 24 december 2001
appellant ontslagen. De werkgever heeft daartoe overwogen dat appellant
een veiligheidsrisico voor de politieorganisatie is vanwege de ernstige
twijfel die is ontstaan over diens integriteit en diens omgang met
vertrouwelijke informatie om welke reden de werkgever appellant
ongeschikt achtte voor het door hem beklede ambt. Appellant heeft dit
besluit in rechte niet aangevochten.
Appellant heeft op 12 februari 2002 een WW-uitkering aangevraagd. Bij
besluit van 23 april 2002 heeft gedaagde die uitkering met ingang van 31
januari 2002 blijvend geheel geweigerd. De daartegen gerichte bezwaren
heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 24 september 2002
ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het
daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Ter zitting heeft gedaagde gesteld dat het bestreden besluit zo begrepen
moet worden dat WW-uitkering blijvend geheel wordt geweigerd op de grond
dat appellant zich zo heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten
begrijpen dat zijn gedrag tot de beëindiging van de dienstbetrekking
zou hebben kunnen leiden.
De Raad onderschrijft de stellingname van gedaagde. Uit de stukken leidt
de Raad af dat appellant tijdens een ziekteperiode bezig was met de
voorbereidingen van de opening van een door hem geëxploiteerde pizzeria
waarbij hij onder meer meewerkte aan de verbouwing van die pizzeria. Dat
die voorbereidingen vóór de opening blijkbaar als nevenwerkzaamheid
volgens appellant niet gemeld behoefde te worden - wat daar verder ook
van zij - doet daar niet aan af. Dat appellant, op het moment waarop hij
door zijn collega’s in de pizzeria werd aangetroffen reeds was
hersteld gemeld en dat deze werkzaamheden plaatsvonden in de eigen tijd
van appellant, blijkt niet uit de stukken, nu daaruit juist kan worden
opgemaakt dat appellant zich direct na het bezoek van die collega’s
hersteld heeft gemeld.
Uit de stukken blijkt voorts dat appellant excessief veel gegevens heeft
opgevraagd uit de gegevensbestanden van de politie en dat hij daarbij
onder meer naar informatie heeft gezocht over zijn ex-echtgenote,
familieleden, collega’s en personen die op enigerlei wijze voorkomen
in in Nederland gevoerde registers aangaande zware criminaliteit. Deze
bevragingen hielden geen verband met de opgedragen werkzaamheden van
appellant. Aanvankelijk kon appellant voor deze bevragingen en het grote
aantal daarvan geen verklaring geven. Het thans door hem ingenomen
standpunt dat dit aantal voortvloeit uit zijn normale werkzaamheden en
dat hij, vanwege zijn positie als plaatsvervanger in de meldkamer, deze
raadplegingen diende te verrichten, acht de Raad, met de werkgever, niet
geloofwaardig gezien het excessieve aantal van die raadplegingen in
vergelijking met die van zijn collega’s. Appellant had voorts
beroepshalve geen enkele reden naar gegevens te zoeken over zijn
ex-echtgenote, familieleden en collega’s. De Raad is dan ook van
oordeel dat appellant aldus het vertrouwen dat in hem als
politieambtenaar moet kunnen worden gesteld op een dusdanig ernstige
wijze heeft geschonden dat het hem redelijkerwijs duidelijk heeft moeten
zijn dat dit gedrag het einde van de dienstbetrekking tot gevolg zou
kunnen hebben.
De Raad ziet geen aanleiding om de stellingen van appellant ten aanzien
van het huren van auto’s, al dan niet tijdens zijn ziekteperiode, en
de verklaringen voor de door hem daarmee gereden afstanden te bespreken,
nu de werkgever die omstandigheden niet aan zijn beslissing om de
dienstbetrekking te beëindigen ten grondslag heeft gelegd.
Ten slotte overweegt de Raad dat, zo al juist is dat de destijds door
appellant in de arm genomen gemachtigde zijn belangen niet op een juiste
wijze zou hebben behartigd, dit voor risico van appellant dient te
blijven.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak kan in
stand blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een
proceskostenveroordeling.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. H.G. Rottier, als leden in tegenwoordigheid van S.
l’Ami als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) S. l’Ami.
|
|