|
Uitspraak
04/236 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
’s-Gravenhage op 23 december 2003, nr. AWB 03/1561 WW, tussen partijen
gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft hierop nog een nadere reactie ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 6 juli 2005, waar appellant zich
heeft doen vertegenwoordigen door W.H.M. Visser, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl gedaagde in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Koorn-Harkema,
advocaat te Leiden.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
De Raad volstaat met het volgende.
Gedaagde is op 15 april 2002 in dienst getreden in de functie van
administratief medewerkster bij L.A.N. Stokman B.V., gevestigd te
Zoeterwoude-Rijndijk (hierna: de werkgever) gedurende 32 uur per week op
basis van een contract voor een half jaar. Op 1 oktober 2002 heeft
gedaagde van haar werkgever het aanbod gekregen om het bestaande
dienstverband onder dezelfde voorwaarden met ingang van 15 oktober 2002
te verlengen met een periode van drie maanden. Gedaagde heeft het aanbod
niet geaccepteerd omdat zij geen vaste aanstelling kreeg en zij zich
niet kon vinden in de hoogte van het salaris.
Gedaagde heeft op 20 oktober 2002 bij appellant een uitkering ingevolge
de WW aangevraagd, welke haar bij besluit van 6 november 2002 blijvend
geheel is geweigerd. Daartoe is overwogen dat uit onderzoek is gebleken
dat haar door haar werkgever voor een periode van drie maanden passend
werk is aangeboden dat zij niet heeft geaccepteerd, terwijl dit wel van
haar verlangd had mogen worden. Bij besluit op bezwaar van 11 maart 2003 (het bestreden besluit) heeft appellant die weigering
gehandhaafd onder de overweging dat gedaagde door eigen toedoen geen
passende arbeid heeft behouden.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van gedaagde
gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire
besluit herroepen en bepaald dat gedaagde met ingang van 15 oktober 2002
recht heeft op een volledige WW-uitkering. Daartoe is overwogen dat het
niet vreemd is dat gedaagde het aanbod niet meteen heeft geaccepteerd
omdat het nieuwe salaris gebaseerd was op een 32-urige werkweek, terwijl
het gelijke salaris dat zij voor 15 oktober 2002 ontving was gebaseerd
op een 30-urige werkweek. Verdere achtte de rechtbank het voorstelbaar
dat gedaagde om bedenktijd heeft gevraagd nu zij geen contract
aangeboden heeft gekregen voor onbepaalde tijd, dan wel voor een langere
duur dan drie maanden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het
gedaagde niet worden tegengeworpen dat de werkgever zijn aanbod tot
verlenging van de arbeidsovereenkomst, zonder dit met gedaagde te hebben
besproken, heeft ingetrokken. Mitsdien is appellant er naar het oordeel
van de rechtbank in het onderhavige geval te gemakkelijk van uitgegaan
dat gedaagde het nieuwe arbeidscontract op het moment dat dit haar werd
aangeboden, moest accepteren.
Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden.
Daartoe is aangevoerd dat geen sprake was van een uurloonverlaging omdat
gedaagde ook voor 15 oktober 2002 voor 32 uur per week werkzaam was op basis van hetzelfde
salaris. Voorts wordt gesteld dat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste
feiten en omstandigheden omdat uit de stukken niet blijkt dat gedaagde
om bedenktijd heeft gevraagd, noch dat de werkgever op 4 oktober 2002
zijn aanbod zou hebben ingetrokken.
Gedaagde heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.
De Raad overweegt het volgende.
In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW is
bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat
hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt.
De Raad deelt, gezien de voorhanden zijnde gegevens, het standpunt van
appellant dat gedaagde de verplichting, zoals neergelegd in voormeld
artikel, heeft overtreden. Gelet op de inhoud van de gedingstukken en
het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat de werkgever gedaagde
per 15 oktober 2002 een contract voor de duur van drie maanden heeft
aangeboden, waarbij de inhoud van het werk, de omvang van de werkweek en
de hoogte van het salaris hetzelfde zijn als in de arbeidsovereenkomst
zoals die gold voor de periode van 15 april 2002 tot 15 oktober 2002. De
Raad stelt vast dat van een voorgestelde verlaging van het salaris niet
is gebleken, terwijl ook gedaagde ter zitting heeft bevestigd dat zij
vanaf 15 april 2002 steeds gedurende 32 uur per week werkzaam is geweest
bij haar werkgever.
Gebleken is dat gedaagde de aangeboden arbeidsovereenkomst niet heeft
geaccepteerd omdat zij zich niet kon vinden in de hoogte van het
salaris, hetgeen onder meer blijkt uit de door haar geplaatste opmerking
“Niet akkoord vanwege onderbetaling, zie art. 3 Salaris’’ op de
door haar geretourneerde arbeidsovereenkomst. In de omstandigheid dat
gedaagde zich niet kan verenigen met de hoogte van het salaris, dat
gelijk was aan het salaris dat zij tot dan toe voor dezelfde
werkzaamheden heeft genoten en dat hoger was dan het minimumloon, ziet
de Raad geen grond gelegen om tot het oordeel te komen dat de aangeboden
werkzaamheden voor gedaagde als niet passend zouden dienen te worden
beschouwd. Mitsdien is appellant naar het oordeel van de Raad terecht
tot de conclusie gekomen dat gedaagde, door het aanbod niet te
accepteren, door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.
Dit betekent dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat
het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden
vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L.
Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus
2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.
|
|