|
Uitspraak
04/261 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. W.F.C. van Megen hoger beroep ingesteld tegen
een door de rechtbank Almelo onder kenmerk 03/293 WW op 2 december 2003
tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 6 juli 2005, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Megen voornoemd, terwijl
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak, medewerker bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant, geboren in 1972, was van 1 juli 1999 tot 1 juli 2002 werkzaam
als professioneel voetballer voor F.C. Twente. Per 1 juli 2002 is
appellant in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.
Bij besluit van 6 november 2002 heeft gedaagde de WW-uitkering gekort
met 20% gedurende 16 weken onder de overweging dat appellant in de
periode van 30 september 2002 tot 28 oktober 2002 onvoldoende
sollicitatieactiviteiten had verricht.
Bij het thans bestreden besluit van 17 maart 2003 heeft gedaagde de
daartegen gerichte bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het daartegen ingestelde
beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De
rechtbank heeft daartoe overwogen dat gedaagde ten onrechte had gesteld
dat appellant (ook) werk had dienen te zoeken in een andere branche dan
die van het professionele voetbal. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen
van het vernietigde besluit echter in stand gelaten omdat appellant naar
het oordeel van de rechtbank in de betreffende periode onvoldoende
concrete sollicitaties had verricht. Volgens de rechtbank rustte er op
gedaagde geen verplichting om appellant, voorafgaand aan het opleggen
van de maatregel, te waarschuwen dat appellant niet op een juiste wijze
invulling gaf aan zijn sollicitatieplicht.
In hoger beroep heeft appellant gewezen op de afwijkende wijze van
solliciteren binnen het betaalde voetbal, aangezien dit niet
rechtstreeks maar altijd via tussenpersonen gaat. Een zaakwaarnemer
‘zet een speler in de markt,’ hetgeen bij alle voetbalclubs tegelijk
gebeurt omdat de zaakwaarnemers de gehele markt bestrijken. Daarnaast
had volgens appellant de Vereniging van Contractspelers een lijst
beschikbaar waarop alle spelers stonden die beschikbaar waren. Volgens
appellant waren alle professionele clubs op de hoogte van die lijst.
Buiten die mogelijkheden is er in feite niets meer dat redelijkerwijs
van een werkloze beroepsvoetballer kan worden verlangd. Appellant stelt
voorts dat het hem duidelijk had moeten worden gemaakt dat gedaagde niet
instemde met het op deze wijze zoeken naar werk binnen het betaalde
voetbal.
Gedaagde heeft betoogd zich aan te sluiten bij het oordeel van de
rechtbank dat ook in het licht van de specifieke kenmerken van de voetbalmarkt waarin
appellant actief is, in redelijkheid van appellant kon en mocht worden
gevergd om informatie te verschaffen omtrent de sollicitatieactiviteiten
in concreto. Hij wijst erop dat door de opstelling van appellant elke
controle op de sollicitatieactiviteiten onmogelijk is.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals ook besloten ligt in ’s Raads uitspraak van 2 juli 2003, reg.nr.
01/293 WW, LJN A08583, kan noch uit de tekst noch uit de strekking van
artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW worden
afgeleid dat aan de daar genoemde verplichting slechts kan worden
voldaan indien die inspanningen om passend werk te vinden persoonlijk
worden verricht en niet mede door het inschakelen van derden. Onder
omstandigheden zou het zelfs geboden kunnen zijn om de
sollicitatieactiviteiten door tussenkomst van een derde te laten
plaatsvinden. Tussen partijen is niet in geschil dat in casu een
dergelijke sollicitatiewijze aan de orde is, hetgeen betekent dat in een
branche als de onderhavige slechts door tussenkomst van een
zaakwaarnemer of ‘makelaar’ naar een betrekking bij een voetbalclub kan worden gezocht, en dat een
rechtstreekse benadering van een potentiële werkgever door een
(werkloze) profvoetballer mogelijk slechts in het nadeel van die
voetballer zal werken.
Het vorenoverwogene met betrekking tot de wijze van solliciteren laat
echter onverlet dat zal moeten worden voldaan aan de eis dat deze
sollicitatieactiviteiten controleerbaar en verifieerbaar moeten zijn.
Te dien aanzien stelt de Raad vast dat appellant op het werkbriefje van
30 september 2002 bij de vraag wat de reden is dat hij niet heeft
gesolliciteerd heeft vermeld: ‘reden bekend, kan zelf niet
solliciteren. Zaakwaarnemer zoekt clubs.’ In het bezwaarschrift van 5 december 2002 heeft appellant de sollicitatiepogingen niet dan in
grote lijnen aangegeven en is geen nadere concretisering gegeven van
bijvoorbeeld de benaderde clubs of de data waarop dat geschiedde. Op de
expliciete vraag van gedaagde om een lijst van sollicitatieactiviteiten,
waaronder ook van de contacten tussen appellant en zijn zaakwaarnemer,
over te leggen is door de gemachtigde van appellant bij schrijven van 26 februari 2003 aangegeven dat in de betreffende periode ‘meer
nadrukkelijk [is] gesproken met Heracles Almelo en Sparta Rotterdam.’
Hoewel appellant nadien nog in de gelegenheid is geweest om de inhoud
van deze gesprekken nader te substantiëren dan wel om aan te geven
welke overige concrete activiteiten zijn verricht, heeft appellant
verkozen dat niet te doen.
De Raad is van oordeel dat het vanuit het oogpunt van de WW een
redelijke eis is dat met enige detaillering wordt bijgehouden op welke data gesprekken zijn
gevoerd, met wie die gesprekken hebben plaatsgevonden en wat daarbij aan
de orde is geweest. Juist nu appellant zich bedient van een
zaakwaarnemer, en deze zaakwaarnemer zich ook kennelijk bewust is van de
cruciale rol die hij vervult bij het verwerven van een (nieuw) contract
bij een voetbalclub en bij het behouden van een ongekorte WW-uitkering
in verband met het voldoen aan de sollicitatieplicht op grond van de WW,
lag het in de rede dat deze zaakwaarnemer de op het werkbriefje
gevraagde gegevens zou leveren dan toch in ieder geval na gedaagdes
expliciete vraag daarnaar. Dat die gegevens desalniettemin niet zijn
geleverd dient dan ook voor rekening van appellant te blijven.
De Raad komt dan ook tot het oordeel dat de uiteindelijk ter beschikking
gestelde gegevens met betrekking tot de sollicitaties zo algemeen zijn,
dat in casu geen sprake is van voldoende concrete en verifieerbare
sollicitatieactiviteiten. Dat betekent dat appellant niet voldaan heeft
aan de uit artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van WW
voortvloeiende verplichting en dat gedaagde gehouden was de maatregel
van een korting van de WW-uitkering van 20% gedurende 16 weken op te
leggen.
De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, een aanleiding om te concluderen
dat gedaagde had dienen te volstaan met een waarschuwing vanwege het
feit dat gedaagde eerder geen consequenties had verbonden aan het feit
dat appellant drie maal op identieke wijze op de werkbriefjes had
aangegeven dat hij door tussenkomst van een zaakwaarnemer solliciteerde.
Appellant was immers op de hoogte van zijn sollicitatieverplichtingen,
op de betreffende werkbriefjes stond vermeld dat hij minstens een
sollicitatie per week diende te verrichten en appellant is in de
gelegenheid gesteld zijn activiteiten nader te concretiseren.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van
de Awb.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L.
Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus
2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.
|
|